Een student wiskunde te Eindhoven zou een wiskundig probleem hebben opgelost waar wetenschappers al eeuwen mee bezig waren. Hij staat ‘s morgens op, laat natuurlijk. Vervolgens neemt hij een ontbijtdrankje, zapt wat op zijn tv-tje, en zet zijn computer aan. Dagen daarvoor heeft hij niets meer met zijn n-de graads vergelijkingen gedaan. Nu zet hij zich er weer voor. Dan opeens, na een half uur, heeft hij het. Zijn adrenaline-spiegel schiet omhoog, het bloed schiet naar zijn hoofd, zijn hartslag en ademhaling versnellen. Snel bekijkt hij zijn oplossing nog eens en nog eens en nog eens. In zijn opwinding vreet hij zijn Pringles op. Hé, ik word beroemd! schiet er door hem heen.

Al snel staat de pers te springen: het Journaal, de radio, de regionale omroep, enkele kranten, de telefoon staat roodgloeiend. En binnen de kortste keren heeft zijn leven een radicale wending genomen. Althans dat dénkt hij.



Wie zou zoiets niet willen? Eeuwige roem: over 200 jaar staat je naam nog altijd in de geschiedenisboeken. Maar waarom zouden wij dat eigenlijk willen? Waarom willen de meesten van ons zò opvallen dat ‚Äòmen’ ons over 200 jaar nog kan herinneren? Geen flauw idee eigenlijk. Een zucht naar erkenning wellicht? Het gevoel van: ‚Äúik stelde wat voor in dit leven‚Äù. Immers, we zijn maar nietsbetekenend. Wie zou mij nou over 100 jaar nog kunnen herinneren? Alles wat ik heb gedaan, alle moeite die ik me getroost heb om dingen voor elkaar te krijgen, dat alles is over 50 ?° 100 jaar alweer vergeten. D?°t is de simpele realiteit. Als je daarover gaat doordenken dan word je ook wel depri. Misschien is het wel dit besef dat we daarom ernaar streven iets te doen waardoor we wél nog heel lang herinnerd zullen worden. Of is het toch gewoon de kick van het bewonderd willen worden? Aandacht? Wie het weet mag het zeggen.

In ieder geval‚Ķ het ‚Äòopgeloste wiskunderaadsel’ was al eens bedacht‚Ķin de 19e eeuw (zie www.kennislink.nl: ABC voor gevorderden). Uniek zijn is zo gemakkelijk nog niet.