Naar schatting krijgt ongeveer 10% van de jonge moeders te maken met een depressie na de geboorte. Vanzelfsprekend heeft die toestand een negatieve invloed op het omgaan van moeder en kind. Een moeder met een depressie is meestal minder gevoelig zijn voor signalen die het kleine kindje afgeeft en zal dus niet direct hierop reageren, wat negatieve gevolgen kan hebben op de lange termijn. Deze moeders kunnen goed leren hoe het anders kan.

Door middel van thuisbegeleiding kunnen de moeders met depressie leren letten op de signalen van hun kind uitzendt. Dit is goed voor de kwaliteit van de interactie, zodat ook de hechting tussen moeder en kindje verbetert.
Dat blijkt uit een promotieonderzoek van de Radboud Universiteit Nijmegen, waarin is vastgesteld dat een relatief korte begeleiding tijdens het eerste levensjaar van het kindje de moeder-kindinteractie en de hechting inderdaad verbetert. Dit effect blijkt na een half jaar nog te bestaan.
De begeleiding bestaat uit tien keer bezoeken aan het gezin, waarbij video-opnames gemaakt worden van de moeder-kindinteractie. Een getraind team bekijkt deze video, waarbij er vooral op wordt gelet hoe de sensitiviteit van de moeder kan worden vergroot. De video wordt gebruikt om de moeder meer opmerkzaam te maken voor de signalen van haar kind.
Het is niet voldoende om alleen de depressie van de moeder te behandelen. Immers, als het verstoorde patroon eenmaal bestaat, is de moeder-kindinteractie moeilijk te veranderen.
De eerste fase in het leven van kinderen blijkt zeer belangrijk voor het vormen van banden met mensen. Uit onderzoek komt naar voren dat kinderen met een ouder met psychiatrische problemen later zelf een groot risico hebben op dergelijke klachten. Baby’s van een depressieve moeder kunnen kort na de geboorte al afwijkingen hebben in gedrag. Na een jaar zijn zij onrustiger en negatiever dan leeftijdgenootjes en vermijden ze het maken van oogcontact met hun moeder. Maar liefst 40 procent van de kinderen met een depressieve ouder maakt vóór de achttiende verjaardag zelf een depressie door.

(Persbericht Radboud Universiteit Nijmegen)