Ongeveer één op elke vijf tot tien kinderen heeft last van tics, waarbij het bijvoorbeeld gaat om het maken van bewegingen (knipperen met de ogen, schopbewegingen maken) of geluiden. Meestal gaan deze tics vanzelf weer over, maar niet altijd. Men spreekt dan van een ticstoornis.

Lannoo CampusAls er vermoedens zijn van een ticstoornis, is het van belang om de diagnose helder te krijgen. Er is veel onbekendheid met ticstoornissen, ook onder hulpverleners, en het komt helaas nog steeds voor dat cliënten pas na een jarenlange zoektocht de diagnose ticstoornis te horen krijgen.
Erfelijke factoren spelen een belangrijke rol in het ontstaan van ticstoornissen. Wetenschappers hebben gevonden dat er bij ticstoornissen sprake is van een defect in de remmingen van de hersenen. Dit defect zorgt niet alleen voor de tics, maar ook voor druk en ongeremd gedrag.

De Nederlandse patiëntenvereniging Stichting Gilles de la
Tourette maakt er zich sterk voor dat tics en het Tourette syndroom beter, in een vroegtijdig stadium, door hulpverleners worden herkend. Op deze manier kan onzekerheid bij ouders en het kind worden weggenomen en kunnen zij zo snel mogelijk worden geholpen om de lijdensdruk te beperken. De Stichting heeft in samenspraak met haar wetenschappelijke adviesraad een ‘verkorte screeningslijst’ ontwikkeld gericht op zorgverleners in de jeugdgezondheidszorg. Deze lijst kan helpen bij een vroege opsporing van de aandoening. De screeningslijst is te downloaden via www.tourette.nl.

Als eenmaal bekend is dat er sprake is van tics, is het belangrijk om goede uitleg hierover aan het kind te geven. Het kan goed zijn te noemen dat veel mensen in hun leven wel eens last hebben van een tic, die vaak ook vanzelf weer weg kan gaan. Sommige kinderen hebben de pech dat de tics blijven voortbestaan, zonder dat zij hier zelf iets aan kunnen doen.

Lees over de behandeling en aanpak van tics het boek ‘Tics bij kinderen‘, geschreven door gz-psychologen Jolanda van de Griendt en Cara Verdellen.