Flavonoid in aardbei beïnvloedt geheugen

Muizen die een flavonoid uit aardbei krijgen onthouden beter. Het lange-termijn leren verbertert, misschien omdat de stof het ontstaan van verbindingen tussen hersencellen bevordert.

Dat zegt Pamela Maher, die cellulair neurobioloog is aan het Salk Institute, op basis van haar onderzoek.
De stof heet fisetin. Deze bevordert de differentiatie of groei van zenuwcellen. Het is de eerste keer dat onderzoekers een stof in de natuur vinden waarvan ze op moleculair niveau kunnen aantonen dat hij een positief effect kan hebben op de hersenen.

De effecten van Fisetin zijn bestudeerd bij muizen. De beestjes kregen twee voorwerpen te zien gedurende bepaalde tijd. De volgende dag werd één van de voorwerpen vervangen door een nieuwe. Als de muizen de voorwerpen van de vorige dag goed konden herinneren, besteden ze minder tijd aan het besnuffelen van de oude en wordt alleen het nieuwe voorwerp uitgebreid geïnspecteerd. De muizen die fisetin binnen kregen, bleken zich de al bekende voorwerpen beter te herinneren.

Hoewel in het onderzoek bleek dat (bij muizen) fisetin lange-termijn-geheugencellen kan vormen, verbeteren en beschermen, wil dat niet zeggen dat daarmee hersencelafbrekende ziektes zoals Alzheimer verholpen kunnen worden. De conclusie van het onderzoek is dat fisetin alleen symptomen van geheugenverlies zou kunnen onderdrukken
Volgens de onderzoekers is het goede nieuws dat de natuurlijke stof Fisetin veelvuldig voorkomt in aardbeien. Echter, omdat het gaat om een natuurlijke voedingsstof is vanuit financieel oogpunt de belangstelling voor vervolgonderzoek gering. En om het gunstige effect van fisetin bij mensen te bereiken, zou misschien een flinke hoeveelheid aardbeien genuttigd moeten worden. Fisetin komt overigens ook voor in tomaten, uien, kiwi, sinaasappels, druiven en appels.

(Sciencedaily.com)

Versuikerde voeding werkt verslavend

Steeds meer dikke mensen zijn verslaafd aan eten. Dat stelt Robert Lustig in zijn overzichtartikel in Nature Clinical Practice Endocrinology & Metabolism.

obesitas.jpgDoor voedingsmiddelen te nemen die veel (vruchten)suiker bevatten en arm zijn aan vezels zijn hun lichamen veranderd door een stroom van insulineschokken. Die hebben hun hersenen doof gemaakt voor de remmende signalen uit het vetweefsel. Daarbij komt dat ze ‘verslaafd’ zijn aan dopamine-kicks die optreden na het eten. Volgens Lustig worden suikers aan tal van levensmiddelen toegevoegd. Dertig jaar geleden was dat nog niet het geval. Kinderen kunnen er weinig aan doen dat ze bijna alleen ongezonde keuzes hebben, als het gaat om eten en drinken. Ze kiezen er dus niet voor om te dik te zijn.

Ludwig heeft een kliniek die een wachttijd heeft van bijna een jaar. Hij leert de ouders en kinderen dat boter, kaas, eieren, vlees, vis, groenten en fruit voedingsmiddelen zijn en dat een kadetje met hagelslag in de categorie ‘snoep’ valt. Via hun ouders worden de kinderen geholpen om het insuline binnen de perken te houden. Dat kan met een voedingspatroon dat weinig geraffineerde koolhydraten bevat. Ook lichaamsbeweging is een belangrijke factor daarbij.

(USCF)

Sommige vissoorten goed voor hersenontwikkeling baby

Het eten van bepaald soort vis tijdens de zwangerschap kan positieve effecten hebben op de cognities van de baby, zo concluderen onderzoekers.



Hogere visconsumptie tijdens de zwangerschap bleek samen te hangen met betere cognitieve vaardigheden bij het kind. Deze cognities werden vastgesteld door het geheugen voor visuele herkenning van de baby na te gaan.



Kinderen die hoger scoorden op de test hadden moeders die vaker vis aten tijdens hun zwangerschap en waarbij lagere waarden van kwik werden gevonden. Hoge kwik-inname tijdens de zwangerschap bleek namelijk schadelijke effecten te hebben op de neurologische ontwikkeling van de foetus. Sommige vissen bevatten kwik in de vorm van het gevaarlijke methylkwik, dat deze schadelijke effecten met zich mee kan brengen. Aangeraden wordt dan ook om vissoorten te eten, die relatief weinig kwik bevatten, zoals zalm en sardines. (Environmental Health Perspectives, oktober 2005)

Slechte voeding verslechtert leervermogens

Ongezonde voedingsgewoonten op jonge leeftijd zorgen voor problemen in de ontwikkeling van neuronen. Daardoor is er kans op een laag IQ bij mensen en afwijkend leervermogen bij vogels. Als de voedingsgewoonten na een slechte start toch verbeteren, is er vervolgens een groeispurt waarbij de lengteachterstand ingelopen wordt. Echter, de cognitieve ontwikkelingsachterstand blijft bestaan.



Die vergaande conclusies komen uit een nieuw onderzoek dat keek naar de relatie tussen voeding op jonge leeftijd, lichamelijke groei en de leerontwikkeling op latere leeftijd. Omdat men bij onderzoek onder mensen meestal te maken heeft met verwarrende variabelen die ook een rol spelen, richtte het onderzoek zich op vinken.



VinkEr is gekeken hoe verschillende voedingspatronen hun leervermogen bepalen. Alleen de kwaliteit van het voedsel werd gemanipuleerd, de hoeveelheid niet. De onderzoekers maten vervolgens de snelheid waarmee de vogeltjes een simpele taak onder de knie konden krijgen.



Op het voedingspatroon van slechte kwaliteit groeiden de vinkjes minder snel dan de controlegroep. Na 20 dagen werd omgeschakeld naar het gewone dieet en toen bleken de vogeltjes heel snel de groeiachterstand in te lopen.

Na de leerfase in het onderzoek bleek een negatief resultaat voor dat de groep vogeltjes die de slechte voeding had gekregen en daarna het snelste was gegroeid. Zij deden het het slechtste op de leertaak. De onderzoekers concluderen dat de versnelde groei na de periode van ondervoeding verantwoordelijk is voor de leerproblemen op latere leeftijd.



Slechte voeding kan negatieve effecten hebben op de lange termijn, stelt men nu. Dat geldt niet alleen voor vinken, maar ook voor mensen. Langs welke weg slechte voeding het leren belemmert is nog niet helemaal zeker. De onderzoekers vinden het wel belangrijk om dat precies te weten, zodat men baby’s met ondergewicht beter kan helpen om negatieve gevolgen op lange termijn voor te zijn.

(Bron: PLoS Biol. 2006 August; 4(8): e251)

Reclames over voeding misleidend voor kinderen

Hoe meer televisiereclames over voedingsmiddelen jonge kinderen zien, hoe verwarrender het voor hen is om te bepalen wat gezond en voedzaam is, zo blijkt uit Amerikaans onderzoek.

Met name producten die als vetvrij of light werden aangeprezen, vormden een probleem voor de 134 deelnemende kinderen uit groep 4 en 5 van het basisonderwijs. Zo werden deze producten door hen vaak als voedzaam beschouwd. Wanneer de kinderen de keuze tussen cola light en sinaasappelsap of vetvrij ijs en kwark kregen voorgelegd, wezen zij vaker cola light en vetvrij ijs aan als zijnde voedzaam dan wanneer de labels ‘vetvrij’ en light niet werden gebruikt.

Ongeacht hun aanvankelijke kennis van de voedingswaarde van producten, blijken kinderen die meer televisie kijken minder goed in staat te zijn solide redenen te geven met betrekking tot de voedzaamheid van hun voedingskeuze. Aangezien er rondom kinderprogramma’s veel reclames worden uitgezonden, bestaat de kans dat het voor kinderen onduidelijk is welke producten nu precies gezond en voedzaam zijn. (Healthday)

Overgewicht verhoogt de kans op borstkanker na de overgang

Substantiële gewichtstoename bij vrouwen, met name na hun vijftigste, is een risicofactor voor borstkanker na de overgang, zo blijkt uit een onderzoek dat in augustus gepubliceerd zal worden in de ‚ÄòAmerican Journal of Epidemiology’.



Om de invloed van gewichtsverandering op borstkanker na de overgang te onderzoeken, is er bij 990 vrouwen met de diagnose borstkanker en 1006 vrouwen zonder borstkanker een vragenlijst afgenomen. Hierbij werd aandacht besteed aan potentiële risicofactoren voor borstkanker en er werd gevraagd naar het gewicht van de vrouwen vanaf hun twintigste levensjaar.



Vrouwen die vanaf hun twintigste meer dan 15 kilogram in gewicht zijn toegenomen, blijken een groter risico te lopen borstkanker te ontwikkelen dan vrouwen die sinds deze leeftijd niet meer dan 3 kilogram zijn aangekomen. Een hoge gewichtstoename tijdens en na de overgang blijkt het grootste risico met zich mee te brengen. Vrouwen die in deze periode meer dan 11 kilogram aankomen, hebben 62% meer kans om borstkanker te krijgen dan vrouwen die tijdens deze periode niet in gewicht toenemen.



Deze relatie tussen gewichtstoename en borstkanker is echter alleen gevonden bij vrouwen die nooit gebruik hebben gemaakt van hormonale vervangingstherapie. Deze therapie wordt gegeven om oestrogenen in het lichaam na de overgang te verhogen om op die manier symptomen zoals opvliegers onder controle te krijgen en op lange termijn osteoporose (botontkalking) te voorkomen. Verdere analyse wijst uit dat gewichtsverlies de kans op borstkanker na de overgang verlaagt. (American Journal of Epidemiology, augustus 2005)