Leren omgaan met gevoelens

De weg naar geluk bewandel je pas als je jezelf erkent, vooral ook waar het om de diversiteit aan emoties gaat. Je kunt je gevoelens kalmeren, waarbij erkenning stap 1 is.

geluktDe zoektocht naar geluk is van alle tijden. Je moet het niet ver zoeken, beweert Sophie Maes, want de sleutel tot geluk ligt inderdaad bij jezelf. Als gediplomeerd psycholoog, psychotherapeut en psychodramaturg zoekt ze reeds 10 jaar samen met haar cliënten naar hun groot en klein geluk. Hierbij staat de omgang met (vaak verwrongen) gevoelens centraal. Vandaag reikt ze jou instrumenten aan om zelf aan de slag te gaan, met haar boek ‘Geluk(t)’.

Wat goed kan werken is het bijhouden van een dagboek. Daarin schrijf je over je emoties, zodat je kunt zien wat je allemaal ervaart qua denken en voelen.
Bij een zeer angstig gevoel kan het antwoord op de onderstaande vragen je verder helpen:
– Waar ben je precies bang voor? Wat denk je dat er gaat gebeuren? Is het ooit echt gebeurd, of alleen in je hoofd?
– Hoe groot is de kans dat het echt gebeurt?
– Je lichaam is onrustig. Hoe interpreteert je deze onrust? Helpt dat?
– Hoe kunt je het beste omgaan met de onrust? Wie kan je om hulp vragen als dat nodig is? Welke informatie moet je nog vinden om deze uitdaging het hoofd te kunnen bieden? Hoe kun je jezelf steunen?
– Is er een voordeel verbonden aan jezelf bang maken? Heb je baat bij het vermijden van bepaalde situaties?

Je wordt je bewust van wat je denkt, als je deze antwoorden vindt. Jij kunt nu gaan bepalen welke gedachten en gevoelens in jouw leven een grote plaats innemen.
Sophie Maes heeft in haar veel praktische oefeningen opgeschreven die goed uitvoerbaar zijn en je verder kunnen helpen.

(Bron: Geluk(t), Sophie Maes, uitgever: Borgerhoog & Lamberigts)

Werkt Psychotherapie?

psychotherapie

Kun jij mensen nu echt helpen? Het is een vraag die ik nog wel eens krijg als ik vertel dat ik psycholoog ben. Als psycholoog heb je toch een wat twijfelachtige reputatie. Sommige mensen geloven heilig in je en andere denken dat je een soort kwakzalver bent die niet veel verschilt van een waarzegger of een kruidenvrouwtje.

In zijn boek “Psychotherapie, een wetenschappelijk perspectief” geeft professor Pim Cuijpers een overzicht van de huidige stand van zaken binnen de psychotherapie. Hij heeft al het onderzoek op een rij gezet en vertelt ons exact wat wel werkt en wat niet werkt. Tenminste, voor zover hij dat zelf weet.

Wat is psychotherapie?
psychotherapieVoordat we de vraag kunnen stellen of psychotherapie werkt, moeten we eerst helder hebben wat het precies is. Het komt er op neer dat we onder psychotherapie alle interventies verstaan die niet onder medicijngebruik vallen. Als je dat als definitie stelt, hou je nog flink wat behandelmethoden over.
Zo heb je bijvoorbeeld gesprekstherapie. Het typische tweegesprek tussen psycholoog en cliënt. Daarin heb je dan weer verschillende stromingen, zoals de cliëntgerichte, de cognitief therapeutische en de psychodynamische. Maar buiten het tweegesprek heb je ook groepstrainingen, behandelingen waarbij het lichaam meer centraal staat en meer “opvallende” behandelvormen. Tot die laatste groep behoort bijvoorbeeld de EMDR, een behandelmethode waarbij de therapeut met zijn vingers voor de ogen van de cliënt zwaait. Klinkt gek, maar werkt uitstekend in de behandeling van angststoornissen.

Wat werkt?
Het is nog een hele klus om uit te zoeken welke therapie goed werkt.

Je zou mensen gewoon een therapie kunnen geven om hun achteraf te vragen hoe het gaat, maar dat levert een hoop problemen op:
• Hoe weet je dat het probleem niet als vanzelf beter is geworden?
• Wie zegt dat het niet gewoon een goede psycholoog was in plaats van een goede behandelmethode?
• Zou het kunnen zijn dat iedereen anders op verschillende therapieën reageert?

Enzovoort, enzoverder.

Om die vragen goed te kunnen pareren wordt er binnen de psychologie gewerkt met “randomised control trials”. Dat zijn sterk gecontroleerde experimenten waarbij er behandelingen gegeven worden die zoveel mogelijk hetzelfde zijn en waarbij en “controlegroepen” zijn die geen behandelmethode krijgen.

Cuijpers doet dan nog aan “meta-analyses” waarbij verschillende trials met elkaar vergeleken worden. Als een onderzoeker uit Canada een onderzoek naar cognitieve therapie bij depressie heeft gedaan en een onderzoeker uit Utrecht ook, vat Cuijpers die twee onderzoeken samen tot één uitkomst. Alleen gebruikt hij niet twee onderzoeken maar in principe alle onderzoeken die ooit zijn gedaan.

Wat werkt?
Wat komt er nu uit al die meta-analyses? De volgende punten vond ik interessant om te lezen:

• Als je mensen met een depressie niet behandelt, knapt 40% vanzelf weer op. Als je mensen met een depressie wel behandelt, knapt 66% op. Het verschil tussen niet en wel behandelen is dus maar 26%.
• Er zijn verschillende problemen waarvoor een behandelmethode bestaat die goed werkt en goed onderzocht is (depressie, angst, stress). Er is echter geen enkele therapie die altijd en voor iedereen werkt.
• In veel gevallen werkt zelfhulp bijna net zo goed als therapie. Met zelfhulp kan dan een digitale training bedoeld worden en zelfs het lezen van een boek.
• We weten eigenlijk nauwelijks waarom psychotherapie werkt. Het is heel moeilijk om met onderzoek helder te krijgen welk onderdeel van een gesprek werkt, dus dat kunnen we dan ook niet.
• Er zijn bovendien nauwelijks verschillen tussen verschillende behandelmethoden. Het is niet duidelijk dat de schemagerichte therapie beter werkt dan de cognitieve therapie bijvoorbeeld.

Wat betekent dit nu in de praktijk?
Allereerst: ik kan echt mensen helpen, maar of het bij jou aanslaat kan ik niet garanderen.
Daarnaast is het belangrijk om hulp te zoeken. De kans dat je dan over je probleem heen kunt, is groter dan wanneer je het niet doet.
Wat ons betreft is het bovendien verstandig om hulp te zoeken bij een psycholoog die werkt met wetenschappelijk getoetste methoden. De werkzaamheid van een therapie is al klein, dus dan is het verstandig om in ieder geval te werken met een behandeling waarvan de werkzaamheid is aangetoond.

Tot slot is het verstandig om te blijven proberen, maar niet te lang. Als de ene therapie niet werkt, zou de andere best wel kunnen helpen. Blijf dan echter niet te lang hangen bij een therapeut. Als je binnen zes gesprekken geen vooruitgang merkt, wordt het tijd om weer eens door te kijken. Het probleem hoeft niet over te zijn bij zes gesprekken, maar er moet wel een positieve verandering merkbaar zijn.

Robert Haringsma is coach en psycholoog bij het Instituut voor Positieve Psychologie

Klinisch psychologe beschrijft levensverhalen van bijzondere patiënten

Tanya Byron kleurIn het boek ‘Niets is wat het lijkt’ heeft klinisch psychologe Tanya Byron de aangrijpende verhalen van patiënten opgeschreven met wie zij tijdens haar studietijd in psychologische klinieken heeft gewerkt.
Het gaat om bijzondere mensen die op hun eigen manier worstelen met de uitdagingen in het leven. Ze laten je niet los. Je wilt in alle gevallen weten hoe het afloopt, en dan blijkt al gauw dat niets is wat het lijkt.

Bijna 25 jaar werkt Tanya nu in de geestelijke gezondheidszorg. Tijdens haar opleiding leerde ze buitengewone patiënten kennen, zoals: kinderen met eetstoornissen, mensen die te maken kregen met dementie, slachtoffers van seksueel misbruik en psychopaten.
Dankzij de mooie schrijfstijl van auteur Tanya kruip je als lezer even in de huid van de psycholoog. Elk verhaal is bijzonder en verrassend.
“Er is geen duidelijke lijn tussen gekte en gezondheid”, zegt Tanya, “wij allemaal komen wel eens in het grijze gebied”. Zij vindt dat ze veel geleerd heeft van de mensen die ze in haar boek beschrijft. Via therapie krijgen mensen met problemen soms de helderheid waarnaar ze op zoek zijn. Ze maken samen met de therapeut de reis van chaos naar helderheid.

(Uitgeverij Unieboek/Het Spectrum)

Tics bij kinderen

Ongeveer één op elke vijf tot tien kinderen heeft last van tics, waarbij het bijvoorbeeld gaat om het maken van bewegingen (knipperen met de ogen, schopbewegingen maken) of geluiden. Meestal gaan deze tics vanzelf weer over, maar niet altijd. Men spreekt dan van een ticstoornis.

Lannoo CampusAls er vermoedens zijn van een ticstoornis, is het van belang om de diagnose helder te krijgen. Er is veel onbekendheid met ticstoornissen, ook onder hulpverleners, en het komt helaas nog steeds voor dat cliënten pas na een jarenlange zoektocht de diagnose ticstoornis te horen krijgen.
Erfelijke factoren spelen een belangrijke rol in het ontstaan van ticstoornissen. Wetenschappers hebben gevonden dat er bij ticstoornissen sprake is van een defect in de remmingen van de hersenen. Dit defect zorgt niet alleen voor de tics, maar ook voor druk en ongeremd gedrag.

De Nederlandse patiëntenvereniging Stichting Gilles de la
Tourette maakt er zich sterk voor dat tics en het Tourette syndroom beter, in een vroegtijdig stadium, door hulpverleners worden herkend. Op deze manier kan onzekerheid bij ouders en het kind worden weggenomen en kunnen zij zo snel mogelijk worden geholpen om de lijdensdruk te beperken. De Stichting heeft in samenspraak met haar wetenschappelijke adviesraad een ‘verkorte screeningslijst’ ontwikkeld gericht op zorgverleners in de jeugdgezondheidszorg. Deze lijst kan helpen bij een vroege opsporing van de aandoening. De screeningslijst is te downloaden via www.tourette.nl.

Als eenmaal bekend is dat er sprake is van tics, is het belangrijk om goede uitleg hierover aan het kind te geven. Het kan goed zijn te noemen dat veel mensen in hun leven wel eens last hebben van een tic, die vaak ook vanzelf weer weg kan gaan. Sommige kinderen hebben de pech dat de tics blijven voortbestaan, zonder dat zij hier zelf iets aan kunnen doen.

Lees over de behandeling en aanpak van tics het boek ‘Tics bij kinderen‘, geschreven door gz-psychologen Jolanda van de Griendt en Cara Verdellen.

Trauma bij kinderen

Veel leerkrachten vinden het moeilijk om een kind te begeleiden van wie bekend is dat het een ernstig trauma heeft meegemaakt. Het boek van kinder- en jeugdpsychiaters Ramón Lindauer en Frits Boer biedt deze groep handreikingen.

Ten eerste stellen deze auteurs dat het belangrijk is om de normale dag- en lesroutine te handhaven. Deze vorm van structuur doet het getraumatiseerde kind goed, omdat het veiligheid inhoudt. Net zoals dat geldt voor het gewoon doorgaan met opvoeden.
Geef binnen de veilige structuur als school ook ruimte voor verwerking. Dit kun je bereiken door de mogelijkheid te bieden om gesprekken te voeren, maar alleen als het kind daaraan behoefte heeft.
Geef als docent ook eerlijke antwoorden op vragen van het kind en ga deze niet uit de weg.
Zorg ervoor dat het kind positieve ervaringen blijft opdoen, bijvoorbeeld via de steun die klasgenoten kunnen geven als ze iets moois voor het kind maken. Blijf het contact houden met de ouders van het kind.

Veel kinderen maken een trauma mee. Denk aan het plotselinge overlijden van een dierbare, of een ongeluk. Van deze kinderen krijgt één op de vijf last van posttraumatische stressklachten die het functioneren thuis en op school in de weg kunnen staan. Vroege herkenning en behandeling hiervan zijn noodzakelijk.
Het boek ‘trauma bij kinderen’ beschrijft naast ingrijpende gebeurtenissen vooral de verwerking en gevolgen hiervan, en geeft informatie over de behandelingsmogelijkheden van traumaklachten bij kinderen. De informatie is goed te volgen, daar de twee kinder- en jeugdpsychiaters het hebben geschreven voor ouders, hulpverleners en leerkrachten.

(Bron: Trauma bij kinderen)

Copyright © 2016 Frank Ruiters & Juglen Zwaan