Bij overgewicht is er andere hersenactiviteit

De hersenactiviteit van mensen met overgewicht verschilt duidelijk van degenen met een gezond gewicht als ze foto’s van voedsel te zien krijgen, zowel voor als na het eten. Dat blijkt uit onderzoek van de Universiteit Maastricht.

Een onderzoeksgroep onder leiding van dr. Mieke toonde het verschil in hersenactiviteit aan via MRI-onderzoek. Ze bestudeerden veertig gezonde mannen en vrouwen met een BMI tussen de 20 en 35. Een BMI tot 25 werd beschouwd als gezond gewicht, de rest als overgewicht.

De deelnemers aten een nacht niets en kregen daarna een standaard ontbijt. Ze werden na de nacht vasten en na het ontbijt geobserveerd. Ook kregen ze foto’s te zien van voedsel en andere dingen. Door middel van MRI werd hun hersenactiviteit bekeken. Hierbij werd gekeken naar verschillende gebieden in het brein die gerelateerd zijn aan de belonende waarde van voeding.
De activiteit in de meeste hersencentra die te maken hebben met de belonende waarde van voeding, bleek bij alle proefpersonen lager na het eten van het ontbijt dan tijdens de gevaste toestand. Maar tijdens het vasten was de activiteit in de anterior cingulate cortex meer uitgesproken bij de zware proefpersonen dan bij de anderen. Dit duidt op een sterke anticipatie op beloning.
Deze trend keerde zich om na het eten van het ontbijt; dan was de signalering van beheersing in de prefrontale cortex lager in de groep met overgewicht, wat duidt op het uitblijven van een beslissing bij deze groep om te stoppen met eten. Mensen met overgewicht hebben dus meer risico op overeten omdat ze gevoeliger zijn voor voedselgerelateerde prikkels als ze honger hebben én het feit dat ze minder goed kunnen beslissen om te stoppen met eten als ze voldaan zijn.

Bron: gezondheidsnet.nl

Vrienden beïnvloeden gewicht

De cirkel mensen die je om je heen verzamelt hebben invloed op je gewicht. Slanke vrienden maken dun, terwijl vrienden met overgewicht vaak dik maken.

Dat blijkt uit onderzoek van de Loyala University Chicago. Studenten kwamen vaak aan als zij vrienden om zich heen hadden verzameld die zwaarder waren dan zij. Als de vrienden juist slanker waren, vielen de studenten af of kwamen ze in ieder geval minder aan. Daarbij werd het beweeggedrag van studenten ook beïnvloed door hun vrienden.

“Deze resultaten kunnen ons helpen bij het ontwikkelen van nieuwe interventies om overgewicht tegen te gaan”, vertelt onderzoeker David Shoham. “We moeten ons niet richten op adolescenten op zich zelf, maar juist in hun netwerk.”
Het onderzoeksteam bestudeerde gegevens van twee grote middelbare scholen die deelnemen aan de National Longitudinal Study of Adolescent Health. Het betrof in totaal gegevens van bijna 1800 studenten. De onderzoekers keken onder andere naar gewicht, vriendschappen, bewegingspatroon en hoeveel de studenten voor de televisie of achter de computer zaten.
Een van de conclusies van het onderzoek was dat overgewicht veel voorkomt in bepaalde sociale netwerken door de manier waarop studenten hun vrienden selecteren. Maar ook na het het corrigeren voor deze factor bleef het verband tussen gewicht en de vrienden overeind.
Als bijvoorbeeld een student op de grens van overgewicht allemaal slanke vrienden heeft (gemiddeld BMI 20) heeft hij 40 procent kans om in de toekomst af te vallen en 27 procent kans om aan te komen. Als het BMI van zijn vrienden gemiddeld 30 is heeft een 15 procent kans dat zijn BMI afneemt en 56 procent kans dat het toeneemt.

Lees meer op Gezondheidsnet.nl:
Vrienden beïnvloeden gewicht

Anorexia door economen belicht

Onderzoekers van de Londen School of Economics and Political Science bestempelen anorexia als een stoornis die door sociale druk ontstaat. Sociale druk die het gevolg is van wat je in de modebladen en algemene media ziet van vrouwelijke vormen.

Uit hun economische anayse van een steekproef van bijna 3.000 jonge vrouwen in Europa leidt men af dat druk door de leeftijdsgroep de belangrijkste bepalende factor is voor het zelfbeeld. En wat de norm is voor lichamelijke uitstraling verschilt van land tot land. In feite is dit geen nieuwe informatie, maar allang bekend dat de eetstoornis gedragen door onzekerheid ontstaat, waarbij men zich gaat spiegelen aan modellen: het beeld dat gepresenteerd wordt als het meest ideaal.

(Reuters health)

Obesitas lijkt op verslaving

Dat mensen met een fors overgewicht (obesitas) snacks niet kunnen weerstaan, lijkt niet 100% een vrije keuze, maar wordt gestuurd vanuit de hersenen. Er zijn wat dit betreft overeenkomsten met drugsverslaving. Daarom is het bij de behandeling van overgewicht belangrijk om te leren omgaan met de verleidingen van calorierijk eten.

ZwaarlijvigheidDit concludeert Ilse Nijs van de Erasmus Universiteit Rotterdam uit haar onderzoek. Zij vindt gelijkenissen in de manier waarop de hersenen van verslaafde en zwaarlijvige personen reageren op respectievelijk drugs- en voedselgerelateerde prikkels in de omgeving. Het lijkt bij beiden te gaan om verstoringen in de hersengebieden die het verlangen naar plezierige prikkels (d.i. voedsel en drugs) reguleren.
Dezelfde verslavingsachtige mechanismen kunnen verklaren hoe het kan dat het voor de meeste obese personen moeilijk is om te lijnen. Zwaarlijvigen richten zo goed als automatisch hun aandacht richten op informatie gerelateerd aan hoog-calorisch voedsel. Dit is vergelijkbaar met wat in onderzoek met verslaafden is vastgesteld.

De conclusie is nu dat obesitas net als verslaving een kwestie is van een alles overheersende drive om te eten. En die wordt gestuurd wordt door onbewuste hersenprocessen. Behandeling kan het beste plaatsvinden via cognitief-gedragstherapeutische technieken. Die helpen zwaarlijvige mensen omgaan met de voortdurende en bijna overal aanwezige verleiding van calorierijk voedsel. Daarnaast is een evenwichtig eet- en bewegingspatroon belangrijk om blijvend gewichtsverlies te bereiken.

Kind met risicogen eet problemen weg

Sommige kinderen hebben een risicogen dat kan zorgen voor een dopaminetekort. Als zijn daarnaast ook opgroeien bij ouders die hen op een manipulatieve manier controleren en chanteren, zijn zij eerder geneigd om hun problemen weg te eten en emotionele eters te worden.

Die conclusies trekt Tatjana van Strien van de Radboud Universiteit Nijmegen uit haar onderzoek onder 279 jongeren. Een op de drie jongeren blijkt het risicogen te hebben, dat kan zorgen voor een tekort aan dopamine, een stofje dat een gevoel van welzijn geeft. Daarnaast geeft 12 procent aan dat manipulatieve controle door een of beide ouders vaak of zeer vaak voorkomt. Als dat samengaat met een dopaminetekort, hebben die jongeren een groot risico om emotioneel te gaan eten. De jongeren gaan fysiologische reacties bij emoties met gevoelens van honger verwarren. Dat maakt hen ‘gevoelsblind’, aldus de onderzoeker.

Bron: Radboud Universiteit Nijmegen

Copyright © 2016 Frank Ruiters & Juglen Zwaan