Kindermishandeling en de werking op hersenen en lichaam

Uit meerdere onderzoeken is gebleken dat slechte leefomstandigheden in de kindertijd het volwassen functioneren van zowel de hersenen en lichaam beïnvloeden. Omstandigheden als extreme armoede en lichamelijke mishandeling laten meetbare veranderingen zien in de hersenen en lichaam tot aan de volwassenheid. Dit bleek uit resultaten van meerderen onderzoeken.

Zo onderzocht de onderzoeker Eric Pakulak van de universiteit van Oregon (University of Oregon) de invloed van de sociale economische status op het werkgeheugen. Volgens heb is het werkgeheugen nauw verbonden met algemene intelligentie. Aan zijn onderzoek deden 72 volwassenen mee, waarbij zij de laatste woorden van een aantal zitten moesten onthouden. Personen met een lagere sociaal economische status konden twee woorden herinneren, waarbij mensen met een hogere economische status gemiddeld vier woorden onthielden.

Suzanne Houston van de Universiteit van Zuid-Californië (University of Southern California) toonde met haar onderzoek het verschil in grootte van hersendelen en de invloed van leefomgeving. Zo bleek de amygdala kleiner naarmate de opleiding van de ouders hoger was. En hoe hoger het inkomen van de ouders, hoe groter de hippocampus. De algemene grootte van de hersenen was niet het grootste verschil. Maar haar onderzoek geeft wel de mogelijkheid de invloed van leefomgeving op de ontwikkeling van de hersenen meer te onderzoeken.

De genoemde onderzoeken geven ook inzicht en mogelijkheid om de omgeving aan te passen en de invloed daarvan te meten. Zo werkte Pakulak met ouders met een lagere economische status. Door het gedrag van de ouders aan te passen en stress te verminderen, merkte hij binnen acht weken verbeteringen op in het gedrag en cognitie van de kinderen. Sterker nog, de kinderen presteerden op een test hetzelfde als de kinderen uit een gezin met een hogere economische status.

Ook het gevolg van misbruik is onder de loep genomen. Layla Banihashemi van de universiteit van Pittsburg (University of Pittsburg) onderzocht de invloed van misbruik in de kinderjaren op de bloeddruk in stressvolle situatie. Dit werd onderzocht met behulp van een vragenlijst die de mate van misbruik in de kinderjaren in kaart bracht en een stresstaak tijdens het experiment. Hoe meer er sprake was van kindermisbruik, hoe hoger de bloeddruk en wijziging van de bloeddruk tijdens de stresstaak. Zelfs in minimale tot gemiddelde mate kan misbruik de reactie op stress beïnvloeden in zowel de hersenen als het lichaam.

Het is duidelijk dat ervaringen in de kindertijd veel invloed hebben op het leven als volwassene. Wel benadrukt Pakulak dat meerdere factoren meespelen bij iemands prestaties. Factoren als armoede, onvoldoende stimulatie, mishandeling, ziekte van ouder(s) en een laag IQ spelen allemaal mee en daarom is het moeilijk een factor toe te wijzen op de ontwikkeling.

Uit grote onderzoeken is wel gebleken dat seksueel of emotioneel misbruik bij kinderen de ontwikkeling van delen van de hersenen wel degelijk beïnvloedt. Het gaat hier om de hersendelen die het geheugen en emoties regelen. Mensen die misbruikt of mishandeld zijn, zijn gevoeliger voor terugkerende depressies als volwassene waarbij psychologische of medische behandeling niet altijd effectief zijn.

Bron: The Guardian

Oogbewegingen als indicator voor schizofrenie

Al lange tijd is bekend dat zwakke oogbewegingen samenhangen met schizofrenie, maar nu hebben onderzoekers methodes getest om mensen met en zonder schizofrenie aan de hand van oogbewegingtesten van elkaar te onderscheiden.

De onderzoekers drs. Philip Benson en David St. Clair hebben een oogbewegingtest ontwikkeld die bestaat uit ‘smooth pursuit’ (het geleidelijk volgen), ‘free-viewing’ (observeren) en ‘gaze fixation’ (staren). Bij ‘smooth pursuit’ volgen personen een object alleen met hun ogen. Mensen met schizofrenie hebben hier moeite mee en lopen achter op het bewegende object. Ze halen wel het object in, maar dit gaat gepaard met snelle oogbewegingen (rapid eyemovement, oftewel saccade). Tijdens ‘free-viewing’ bekijken de mensen een foto. De meeste mensen maken een specifiek patroon met hun ogen als ze het beeld in zich opnemen. Bij mensen met schizofrenie is er vaak sprake van een afwijkend patroon als zij de foto bekijken. Bij de ‘fixation-task’ kijken mensen zo stil mogelijk naar een stilstaand object. Voor mensen met schizofrenie is het heel moeilijk hun blik vast te houden op het object.

Uit de resultaten van deze testen bleek dat mensen met schizofrenie inderdaad anders met hun ogen bewegen dan de groep gezonde proefpersonen. De onderzoekers probeerden vervolgens diverse modellen uit om de data erin te verwerken. Het meest geschikte model kan namelijk gebruikt worden voor het diagnosticeren van schizofrenie. Uiteindelijk vonden ze een model die een accuraatheid van 98.3 procent bereikte.

Een stimulerend resultaat, vinden de onderzoekers, dat een nieuwe weg inslaat voor klinisch onderzoekers. Met het juiste model kunnen mensen met schizofrenie onderscheiden worden van mensen met een andere psychiatrische stoornis. Daarnaast kan nu verder onderzocht worden wanneer de afwijking zich voor het eerst uit. Tevens kan het gebruikt worden voor onderzoeken naar de vroegtijdige behandeling van psychische aandoeningen.

Het zou uitermate handig zijn als deze testen voldoende blijken om de diagnose schizofrenie vast te stellen. De meeste diagnostische onderzoeken zijn zeer tijdrovend en duur. Een simpele snelle test als deze oogtest zou een uitkomst zijn voor de klinieken en ziekenhuizen.

Zie ook: Philip J. Benson, Sara A. Beedie, Elizabeth Shephard, Ina Giegling, Dan Rujescu, David St. Clair. Simple Viewing Tests Can Detect Eye Movement Abnormalities That Distinguish Schizophrenia Cases from Controls with Exceptional Accuracy. Biological Psychiatry, 2012; 72 (9): 716 DOI: 10.1016/j.biopsych.2012.04.019

Bron: Science Daily

Dopamine niet enige oorzaak bij Parkinson?

Uit een onderzoek van een team van de Harvard Medical School is gebleken dat naast dopamine ook mogelijk de stof GABA betrokken is bij het vrijgeven van dopamine. Deze ontdekking kan leiden tot meer kennis over hersenstoornissen als Parkinson, maar ook drugsverslaving en psychische aandoeningen als schizofrenie en obsessieve-compulsieve stoornis.

Tot nu toe is altijd gedacht dat het tekort aan dopamine de hoofdoorzaak was bij aandoeningen als Parkinson. Het onderzoeksteam van Bernardo Sabatini onderzocht met muizen de dopamine neuronen in de striatum. De striatum is een gebied in de hersenen die betrokken is bij zowel bewegen als leren. De dopamine neuronen in dit hersengebied geven dopamine af. De stof dopamine zorgt ervoor dat we lopen, spreken en kleine precieze handelingen uitvoeren zoals typen.

Bij mensen met Parkinson sterven de cellen die dopamine afgeven af, en hierdoor gaat ook hun bewegingsvermogen verloren. De huidige medicatie voor Parkinson bevat stoffen die door hersencellen omgezet worden in dopamine.

Het team van Sabatini ontdekte echter dat tijdens het vrijgeven van dopamine ook de stof GABA vrijkomt. GABA is een stof die de activiteit van neuronen juist afremt. De aanwezigheid van GABA is voor de onderzoekers een verklaring waarom de aanvankelijke verbeteringen bij Parkinson patiënten na verloop van tijd weer afnemen.

Normaal gesproken worden andere neurotransmitters geblokkeerd bij onderzoeken waarbij dopamine activiteit wordt onderzocht. De blokkade moet de activiteit van dopamine duidelijker in beeld te brengen. Tijdens het onderzoek van Sabatini kwam medeonderzoeker Nicolas Tritsch op het idee de cellen in de natuurlijke stand te houden. Dus niet de andere cellen te blokkeren.

Bij het activeren van de dopamine neuronen wilde Tritsch de striatale neuronen observeren, maar ontdekte tot zijn verrassing de snelle remming van de striatale neuronen. Dit wees hem op de aanwezigheid van een andere neurotransmitter, wat GABA bleek te zijn.

De stof GABA wordt gedragen en vervoerd door het eiwit VGAT. Het onderzoeksteam van Sabatini remde de aanmaak van VGAT. Hierdoor ontdekten de onderzoekers dat dopamine neuronen ook GABA vrijgeven, zelfs in afwezigheid van het eiwit.

Volgens Sabatini brengt dit onderzoek andere dopamine onderzoeken in een ander daglicht. Volgens hem moet nu bekeken worden welke effecten bij Parkinson te wijten zijn aan dopamine en welke aan GABA. Dit onderzoek is een begin van nieuwe onderzoeken die in beeld moeten brengen wat GABA doet en of andere neurotransmitters nog betrokken zijn. “Deze bevindingen belichten hoe weinig we uiteindelijk weten over de basiskenmerken van de cellen in de hersenen”, aldus Sabatini.

Nicolas X. Tritsch, Jun B. Ding, Bernardo L. Sabatini. Dopaminergic neurons inhibit striatal output through non-canonical release of GABA. Nature, 2012; 490 (7419): 262 DOI: 10.1038/nature11466

Bron: Science Daily

John Bowlby, het begin van de hechtingstheorie

John Bowlby

Eén van de veelvoorkomende namen in de psychologie is Edward John Mostyn Bowlby oftewel John Bowlby, de grondlegger van de hechtingstheorie. Naast zijn expertise als psycholoog, psychiater en psychoanalyticus is Bowlby ook ervaringsdeskundige te noemen.

Kindermeisje en kostschool
John Bowlby werd geboren in Londen op 26 februari 1907. Hij groeide op in een upper middle class gezin als vierde van zes kinderen, met de chirurg Sir Anthony Alfred Bowlby als vader.
Bowlby zag zijn ouders nauwelijks. Hij werd voornamelijk opgevoed door zijn kindermeisje en op zijn zevende werd hij naar kostschool gestuurd. Bowlby hechtte zich sterk aan zijn kindermeisje en vond het vreselijk toen zij vertrok op zijn vierde. Ook de kostschool vond hij verre van plezierig.
In 1938 trouwde Bowlby met Ursula Longstaff met wie hij vier kinderen kreeg. John Bowlby stierf op 2 september 1990 op het Schotse eiland Skye.

Studiekeuze
Bowlby ging niet meteen de psychologie in. Hij volgde in eerste instantie de opleiding tot marineofficier bij het Royal Navy College in Dartmouth, maar hij stapte in 1925 over naar de opleiding Psychologie aan het Trinity College in Cambridge en vulde deze aan met de studie geneeskunde aan het University College in Londen. Bowlby werd in 1933 basisarts, in 1937 psychoanalyticus en in 1940 werd hij psychiater.

(meer…)

Facebook en Smartphones: de nieuwe factoren voor wetenschappelijk onderzoek

De meesten van ons kunnen hun leven niet meer zonder Facebook en smartphones voorstellen. De wetenschap gaat geheel mee met deze trend. De eerste wetenschappelijke onderzoeken zijn al gestart en gepubliceerd over de invloed van nieuwe media en gadgets op ons psycho-sociale welbevinden.

Zo hebben de onderzoekers Robert E. Wilson, Samuel T. Gosling en Lindsay T. Graham sociaalwetenschappelijke onderzoeken samengevoegd met bevindingen van Facebook voor het onderzoek A Review of Facebook Research in the Social Sciences. Met name sociale contacten en arbeidspsychologie worden beïnvloed door Facebook. Het sociale medium wordt gebruikt voor informele contacten met hechte vrienden en vage kennissen. Maar ook bedrijven gebruiken Facebook bij het selecteren en aannemen van personeel. Privacy is echter een hekel punt in dit geval. Zowel in het kader van sollicitaties als in het kader van wetenschappelijke onderzoeken als deze.

Ook de smartphones zijn een interessante factor voor de hedendaagse sociaalwetenschappelijke onderzoeken. Veel mensen lopen constant met hun smartphone in de hand. Om in contact te blijven met vrienden en media en zo op de hoogte te zijn van ieders bezigheden. Uit het onderzoek The Smartphone Psychology Manifesto van G. Miller bleek dat smartphones informatie vrijgeven over de locatie en activiteiten van een persoon. Deze mogelijkheden geven de mogelijkheid voor wetenschappers te onderzoeken hoe een omgeving het gedrag beïnvloedt. Zo zijn er zelfs al “psych apps” die naast je locatie ook je stemming en geluid uit de betreffende omgeving registreert. Factoren die zeer bruikbaar zijn voor onderzoeken.

Het lijkt er op dat de nieuwe media een positieve bijdrage kan leveren aan sociaalwetenschappelijke onderzoeken. Via een “app” wordt iemands stemming geregistreerd, waarbij via dezelfde “app” en via Facebook de locatie en andere stimuli uit de omgeving geregistreerd kunnen worden. Deze ontwikkeling mag zeker verder worden uitgezocht, met inachtneming van de privacy dat wel.

Bovenstaande onderzoeken zijn gepubliceerd in het magazine Perspectives on Psychological Science. Meer informatie over deze onderzoeksartikelen vind je op Science Daily.