Universiteit Twente ontwikkelt test voor mentale gezondheid

Jarenlang is positieve gezondheid gedefinieerd als de afwezigheid van psychologische aandoeningen zoals depressies en angststoornissen. Wie dus niet ziek was, was gezond. Steeds meer wetenschapper zijn echter van mening dat psychologische gezondheid meer is dan dat. Op de Universiteit Twente is nu een vragenlijst ontwikkeld waarmee deze aanname onderzocht kan worden.

De theorie die aan deze vragenlijst ten grondslag ligt, gaat er vanuit dat psychologische gezondheid bestaat uit twee verschillende onderdelen. Allereerst hebben mensen die psychologisch gezond zijn meer positieve dan negatieve emoties. Daarnaast bestaat psychologische gezondheid uit de mate waarin iemand zijn of haar leven geslaagd en zinvol vindt. Uit het onderzoek blijkt dat deze twee onderdelen van psychologische gezondheid in de populatie inderdaad gevonden worden.

Uit het onderzoek blijkt bovendien dat psychologische gezondheid niet hetzelfde is als de afwezigheid van psychologische aandoeningen. Als iemand geen psychologische aandoeningen heeft, betekent dat met andere woorden niet per se dat hij psychologisch gezond is. En andersom hoeven mensen met een angststoornis of een depressie over het algeheel niet per se psychologisch ongezond te zijn.

De ontwikkeling van deze maat maakt het mogelijk om mensen actief te laten werken aan het ontwikkelen van hun psychologische gezondheid. Dit kan er voor zorgen dat ze minder snel last krijgen van psychologische problemen en dat ze hun leven over het algemeen als positiever beschouwen.

Evaluating the psychometric properties of the mental health Continuum-Short Form (MHC-SF). Lamers et al.

Een kwart eeuw onderzoek naar geluk

Uit een Duits onderzoek dat 25 jaar gelopen heeft, blijkt dat ons geluksgevoel door een aantal factoren sterk beïnvloed wordt. Dat weerlegt de gelukstheorieën die zeggen dat ons geluksgevoel voor het grootste deel vast staat. Het onderzoek is gedaan door het Duits Instituut voor Economisch onderzoek en zij maken er uit op dat het geluksgevoel van de bevolking een goede maat kan zijn voor de effectiviteit van de politiek.

Een factor die ons geluksgevoel sterk beïnvloedt, is bijvoorbeeld onze partnerkeuze. Mensen met een neurotische partner blijken onstabieler dan mensen met een emotioneel stabiele partner. Ook de doelen die we ons in het leven stellen, hebben een invloed op ons geluk. Mensen die zich vooral richten op hun carrière, zijn over het algemeen minder gelukkig dan mensen die zich ook richten op het onderhouden van hun relaties. In verband met de carrière blijkt ook dat mensen gelukkiger zijn als ze een juiste balans hebben gevonden tussen werk en vrije tijd.

Veel gelukstheorieën gingen er vanuit dat je geluksniveau grotendeels vast staat bij je geboorte en dat er dus weinig aan te veranderen valt. In deze studie werd gevonden dat geluk zowel stabiel als veranderlijk is. Het komt niet vaak voor dat mensen binnen een korte periode grote schommelingen in hun geluk meemaken. Als we het geluksgevoel echter op de lange termijn meten, blijkt dat het bijna nooit over de gehele levenscyclus gelijk blijkt. Geluk is dus zowel stabiel (op de korte termijn) als veranderlijk (op de lange termijn).

Het onderzoek is gedaan door het Duits Instituut voor Economisch onderzoek. De wetenschappers grijpen het onderzoek aan om te beargumenteren dat economische groei niet het enige streven van politiek handelen dient te zijn. Uit deze studie blijkt dat bepaalde levenskeuzen ons geluk kunnen vergroten en de politiek dient het dan ook mogelijk te maken dat we deze keuzes kunnen maken.

Bron: Long-running German panel survey shows that personal and economic choices, not just genes, matter for happiness.

Lachen is een smeermiddel voor overleg in groepen

“Lachen is gezond” Het is een uitspraak die we allemaal kennen en die ook wel enige wetenschappelijke ondersteuning kent. Lachen helpt bijvoorbeeld stress verlagen en maakt dat zieke mensen sneller herstellen. Nieuw onderzoek toont aan dat lachen ook een belangrijk smeermiddel is voor sociale interacties.

Wetenschappers in de Verenigde Staten kregen een unieke kans om de transcriptie van een juryberaad te bestuderen. In het beraad werd overwogen of een delinquent al dan niet tot de dood veroordeeld werd. Hoewel er in de discussie dus een hoop op het spel stond, bleek dat er in het beraad een hoop gelachen werd. De wetenschappers stelden vast dat het lachen diende om de sociale communicatie over en weer te beïnvloeden en de druk te verlagen.

Hoewel het maar een kleine studie betrof, zijn de resultaten wel degelijk interessant. Onwillekeurig zijn we geneigd om in serieuze besprekingen, waarbij er veel op het spel staat, ons lachen te beperken. De uitkomsten van dit onderzoek wijzen er op dat dit wel eens contraproductief zou kunnen zijn.
De resultaten van het onderzoek verschenen in het augustusnummer van het tijdschrift: small group research.

Groter zelfvertrouwen houdt kinderen uit de problemen

Uit Amerikaans onderzoek blijkt dat het lidmaatschap van een club positieve effecten heeft op kinderen. Hun schoolprestaties gaan omhoog, ze gebruiken minder drugs en alcohol en ze sluiten zich minder vaak aan bij “gangs” wanneer ze lid zijn van een club. Deze vooruitgang is te danken aan het feit dat de kinderen een sterker zelfbeeld en daardoor een groter zelfvertrouwen krijgen als ze betrokkenheid zijn bij een club.

De clubs waarover het onderzoek gaat, zijn de zogenaamde “Boys and Girls Clubs”. Deze instellingen zijn het best te vergelijken met jongerencentra in Nederland. Hier wordt aandacht besteedt aan sport en spel, maar ook aan het aanleren van sociale vaardigheden en aan cursussen zoals seksuele voorlichting. De toegang tot deze clubs is vaak gratis.

Uit het onderzoek blijkt dat de betrokkenheid bij een dergelijke club er voor zorgt dat de jongeren zich de normen en waarden van de club eigen maken. Uit onderzoek naar zelfvertrouwen is al langer bekend dat een laag zelfvertrouwen niet zozeer te maken heeft met negatieve gedachten over het zelf, maar eerder met een onduidelijk zelfbeeld. Wie niet weet wat zijn waarden zijn, heeft geen innerlijk kompas om op te varen en is daarom onzeker bij het maken van keuzes. Door club geeft de kinderen duidelijke waarden en normen, waardoor ze minder vatbaar zijn voor afwijkend gedrag. Wie vanuit de club weet dat drugs slecht voor je zijn, zal zich op straat niet snel laten overhalen tot het gebruik van drugs.

De auteurs bevelen clubs aan om zich duidelijker gaan richten op het vergroten van het zelfvertrouwen. Omdat te bereiken is het van belang om de betrokkenheid van de kinderen bij de club te vergroten. Kinderen die vaker komen en verschillende programma’s volgen, hebben het meest baat bij hun lidmaatschap van de club. Het is dus belangrijk dat kinderen vaak aanwezig zijn. Psychologische technieken kunnen ingezet worden om dit te bewerkstelligen. Daarnaast wordt de betrokkenheid bij clubs groter wanneer kinderen zich kunnen binden aan medewerkers. Er dient dus gestuurd te worden op een langdurig dienstverband van de medewerkers.

Ohio State University (2010, June 12). Youth clubs strengthen kids’ self image to keep them out of trouble. ScienceDaily. Retrieved June 14,

Affirmaties werken niet (altijd)

Veel zelfhulpboeken raden de lezer zogenaamde affirmaties aan. Wie zich beter wil voelen, moet dan elke dag zeggen: “Elke dag word ik beter en beter”. Al eerder bleek uit onderzoek van Wood en anderen dat de werking van die affirmaties niet onomstreden is. Uit dit onderzoek bleek dat mensen met veel zelfvertrouwen door het werken met affirmaties meer zelfvertrouwen krijgen. Echter, voor mensen met een laag zelfbeeld gaat dit niet op. Zij krijgen zelfs minder zelfvertrouwen als ze steeds tegen zichzelf zeggen dat ze perfect zijn.

Deze maand verschijnt een onderzoek dat op een andere manier vragen stelt bij de werkzaamheid van affirmaties. Senay en anderen lieten twee groepen mensen anagrammen oplossen. De eerste groep moest voor het oplossen van het anagram tegen zichzelf zeggen: “ik kan het oplossen”. De andere groep mensen moet zich afvragen: “kan ik het oplossen?” Het bleek dat de tweede groep beter presteerde in het oplossen van de anagrammen.

In een ander, meer abstract deel van het onderzoek moest één groep “zal ik” schrijven en een tweede groep “ik zal”. Daarna moesten ze wederom anagrammen maken. De twee onderdelen van het onderzoek (het schrijven en het oplossen van anagrammen) werden gepresenteerd alsof ze volstrekt los van elkaar stonden. Desalniettemin presteerden de mensen die “zal ik” schreven beter dan de mensen die “ik zal” schreven.

De onderzoeken suggereren dat affirmaties vooral invloed hebben op ons gevoel en niet op onze prestaties. Wanneer beide niet met elkaar in de pas lopen, gaat dat op de lange termijn schuren. Mensen die elke ochtend tegen zichzelf zeggen: “ik ben een koning”, terwijl ze in een krot wonen, gaan op den duur lijden onder het verschil tussen hun gewenste en hun daadwerkelijke situatie. Wie echter vragen stelt, gaat ook daadwerkelijk beter presteren. Dat zorgt voor een daadwerkelijke groei. Affirmaties lijken dus meer een korte termijnoplossing, terwijl een open, onderzoekende houding zorgt voor verbetering op de lange termijn.

Senay, I., Albarracin, D. Noguchi, K. (2010). Motivating Goal-Directed Behavior Through Introspective Self-Talk. Psychological Science
Wood, J., Elaine Perunovic, W., & Lee, J. (2009). Positive Self-Statements: Power for Some, Peril for Others. Psychological Science