Eerste Nederlandstalige handboek over psychologisch onderzoek bij kinderen

Voor het eerst is er in de Nederlandse taal een boek gepubliceerd waarin twee ervaren gz-psychologen helder uitleggen wat het resultaat van psychologisch onderzoek nu werkelijk over een kind of jongere (tot 18 jaar) zegt.

Kinderen van tegenwoordig worden continu getest om te beoordelen of een kind zich volgens de norm of het gemiddelde ontwikkelt. Een psychologisch onderzoek wordt verricht wanneer een ‘gewone’ test (denk bijvoorbeeld aan de Cito-toets) niet genoeg informatie geeft over de leermogelijkheden en vaardigheden van kinderen, of wanneer de resultaten van een kind sterk wisselen. Dan kan er besloten worden om een intelligentieonderzoek, neuropsychologisch onderzoek, persoonlijkheidsonderzoek of didactisch onderzoek bij het kind af te nemen.

Maar wanneer wordt welk onderzoek ingezet, en door wie? Hoe kan het kind het beste worden voorbereid op het onderzoek? Welke uitslagen zijn er te verwachten? Hoe kunnen de resultaten geïnterpreteerd worden en hoe kan er op basis van deze resultaten het beste gehandeld worden in de klas, de behandelpraktijk of thuis? Op deze – en meer – vragen geeft Psychologisch onderzoek bij kinderen antwoord.

Dit handzame naslagwerk is een waardevolle bron voor ouders, leerkrachten en zorgprofessionals. De vele praktijkvoorbeelden en het heldere taalgebruik maken het boek leesbaar en herkenbaar. Bovendien biedt het boek hulpverleners en leerkrachten praktische handvatten om met ouders te communiceren over het psychologisch onderzoek van hun kind.

Ouders vragen zich vaak af of de testscores het enige zijn waarop de onderzoeker zijn conclusies baseert. Dat is niet zo.
Ook observaties zijn erg belangrijk. Observaties omvatten alles wat een onderzoeker tijdens het psychologisch onderzoek ziet en hoort van het gedrag van het kind. Naast wat een kind zegt en doet, is het ook van belang hoe dit overkomt op de onderzoeker. Het is het beste als de onderzoeker zo objectief mogelijk beschrijft wat hij heeft waargenomen, zonder al te veel eigen interpretaties waar anderen het oneens mee kunnen zijn. Als het toch gaat om interpretaties, zoals ‘vermoeden van onzekerheid of faalangst’, is het goed om te toetsen of deze wel of niet kloppen. De observaties wegen mee bij de interpretatie van de testscores en bij de conclusies die uit het onderzoek voortvloeien.

Het boek is te bestellen via de uitgever Lannoo Campus, bol.com of de boekwinkel.

Onderzoek bij Turkse KOPP kinderen

Voor elk kind is het lastig om op te groeien in een gezin, waarin een van de ouders of beiden psychiatrische problemen hebben. Dit is extra lastig voor het kind dat opgroeit in twee verschillende culturen, zoals de Nederlandse en Turkse cultuur. Er komt dan een taak bij: in beide culturen zijn draai proberen te vinden. De ontwikkeling van dit kind komt dan in gevaar. Immers, de leefomstandigheden kunnen zeer wisselen, terwijl de ouder(s) onvoorspelbaar reageert. De kinderen missen een belangrijke onmisbare steunpilaar.
Behandelaar bij de GGZ AlleKleur Alpay Özterazici deed onderzoek naar de gevolgen van KOPP voor kinderen binnen de Turkse cultuur.

Binnen de Turkse cultuur is het voor ouders een taboe om over hun problemen met hun kinderen te praten. De achterliggende gedachte is dat het kind niet “waardig” genoeg is om betrokken te worden bij “grote mensen problemen”. De ouders weten niet dat hun kinderen het evengoed aanvoelen dat er iets “mis” is met hun ouder(s). Het kind merkt de negatieve sfeer in huis op. Dit zorgt ervoor dat het kind zich in de buitenwereld gaat schamen voor zijn ouders.
Alpay Özterazici en zijn collega’s stellen vast dat normaal gesproken binnen de Turkse cultuur familieleden en kennissen elkaar steunen bij problemen. Bij die steun komt de focus wel vooral te liggen bij de ouder(s) en in mindere mate bij het kind.

Als een kind in een Turks gezin lijdt onder de problemen van een ouder, als deze een psychiatrische stoornis heeft, zijn er op verschillende leeftijden totaal verschillende kenmerken. Hieronder volgt een beknopte opsomming.

Op jonge leeftijd (1-3 jaar) kan een kind in een Turks KOPP gezin scheidingsangst ontwikkelen. Dit is te herkennen aan: huilen, zich verzetten, of extreem aanpassen, een zeer gesloten houding en/of vage lichamelijke klachten. Kinderen van deze leeftijd hebben er geen besef van dat hun ouders psychiatrische problemen hebben. Wel merken zij dat hun ouders zich anders (negatief) gedragen dan voorheen. Kinderen tussen 1-3 jaar onthouden de negatieve ervaringen.

3-6 jaar:
Symptomen: zich ontwikkelde angststoornis die te herkennen is aan ziek worden, wanneer de ouder(s) de hele dag op bed ligt. Het kind ontwikkelt een schuldgevoel, omdat het denkt dat het door hem komt dat zijn ouder ziek is. Er bestaat verlatingsangst, terugkeer naar een vorige emotionele fase (regressie), problemen met de concentratie of het gedrag.
Bevindingen na het onderzoek bij Turkse gezinnen (met KOPP):
Gezien de problematiek van de ouders (depressie) kunnen de kinderen niet tegen de vele prikkels die op hen afkomen. Als het kind zelf druk wordt, raakt de ouder van slag en gaat slaan, totdat de ouder zelf tot rust komt. Van de 30 ondervraagde Turkse ouders vertelden er 26 dat zij bij stout gedrag van het kind deze sloegen, totdat een van de partijen (kind of ouder) tot rust kwam.

6-12 jaar:
Kenmerken: ontwikkelen van een negatief zelfbeeld, sociale uitsluiting, ziek worden. Afname van belangstelling voor een hobby’s, samenspelen en vrienden. Prestaties op school gaan achteruit. Kenmerken van depressie en tics, stotteren.
Bevindingen na het onderzoek:
Mannelijke kinderen in het gezin worden gepusht om taken over te nemen. De jongens worden aangesproken op “fout” gedrag van de andere kinderen. Deze zorg gaat ten koste van o.a. schoolprestaties. Mishandeling komt bij deze leeftijdsgroep veel voor. De jongens voelen zich anders en zoeken “steun” bij leeftijdsgenoten met dezelfde problemen (geestelijke mishandeling). Vaak gaat dit zoeken naar steun gepaard met drugsmisbruik, doordat kopieergedrag ontstaat. In Istanbul gebruikten kinderen vaak vanaf 8e jaar lijm om te snuiven. De kinderen krijgen van huis uit mee dat ze “de vuile was niet buiten mogen hangen”. Doen ze dit wel, dan krijgen ze klappen.

Meisjes worden gedreven om huishoudelijke taken op zich te nemen: schoonmaken van het huis, koken, oppassen op broertjes en zusjes. Als het meisje die taken in de ogen van de ouder niet goed genoeg doet, wordt zij geslagen door de moeder (met psychische problemen). Die moeder denkt iets in de trant van: “Ze wil aan iedereen laten zien dat ik een slechte moeder ben.”

Turkse kinderen groeien op in een wij-cultuur binnen een wij-gezin en voelen zich hierdoor heel erg afhankelijk van andere gezinsleden. Zij verwachten dat ze gesteund worden. Opkomen voor zichzelf doen ze niet, omdat de familiebelangen voor de kinderen voorop staan. Hierdoor krijgen ze het gevoel buiten het gezin te vallen.
Conclusie: een steunpilaar in de familie of kennisomgeving is van groot belang is om de TKOPP kinderen een gezonde opvoeding en ontwikkeling te bieden. Deze steunpilaren zijn nodig zijn om bruggen te bouwen tussen gezinsleden.

Dit artikel is een verkorte versie van het door Alpay Özterazici ingestuurde bericht. Alpay is behandelaar bij GGZ AlleKleur. Hij deed in samenwerking met Mavi Kalem (Istanbul in Turkije) en met twee onderzoekers in spé van Bilgi University te Istanbul onderzoek naar T-KOPP.