Of een kind last krijgt van lang aanhoudende angsten hangt af van een samenspel van erfelijke aanleg en de opvoedstijl van ouders. Dat blijkt uit een onderzoek, dat nu duidelijk maakt hoe het kan dat angstproblemen in sommige families meer voorkomen dan in andere.

AngststoornisDeze conclusies volgen uit onderzoek van Ingeborg Lindhout, die op 2 juli promoveert aan de Universiteit van Amsterdam.
Ouders die zelf last hebben van angsten beschrijven zichzelf als minder warm en steunend. Ze zouden meer controlerend handelen dan ouders zonder die stoornis. Zo bekritiseren ze bijvoorbeeld hun kinderen meer en maken zich meer zorgen. Dat kan betekenen dat hun kinderen zich afhankelijk van hen gedragen.
Ook blijkt dat angstige kinderen sowieso anders worden opgevoed dan kinderen zonder stoornis, ook binnen hetzelfde gezin. Ze voelen zich namelijk al gauw afgewezen of krijgen meer kritiek. Hun ouders rapporteren meer negatieve uitingen, meer zorgen en minder de neiging om de autonomie van hun kind te stimuleren. Ook het temperament van een kind speelt een rol. Kinderen die door hun ouders als emotioneel en verlegen beschreven worden, hebben vaker een angststoornis.

(Bron: Universiteit van Amsterdam)