Amerikaanse wetenschappers hebben muizen zodanig genetisch gemanipuleerd dat ze kenmerken van autisme spectrum stoornissen vertonen. Daarmee is meer inzicht ontstaan in het ontstaan van deze ontwikkelingsstoornis.
Door een gen uit te schakelen in de hersenschors (cortex) en hippocampus ‚Äì hersengebieden die te maken hebben met leren en geheugen – schiepen de onderzoekers muizen die dezelfde problemen hebben in de sociale interactie als mensen met een vorm van autisme. Eerder onderzoek liet al eens zien dat bij sommige mensen met autisme mutaties voorkomen in datzelfde gen (= Pten). Toch is nog onduidelijk of er wel een rechtstreeks verband is tussen het gen en het autististische gedrag.
In elk geval is het gedrag van de genetisch gemanipuleerde muizen opmerkelijk. Ze waren niet gericht op het opdoen van nieuwe ervaringen, zoals het snuffelen aan een normale muis die nieuw in de kooi komt. Verder vertoonden ze evenveel belangstelling voor levenloze objecten als voor andere muizen. Dat gedrag doet denken aan wat autistische kinderen laten zien: grotere, eenzijdige gerichtheid op bepaald type speelgoed in plaats van op omgaan met andere mensen.
Bijzonder is ook dat muizen zonder het gen overgevoelig bleken voor stressgenerende prikkels, zoals opgepakt worden, harde geluiden waarnemen. In hun hersentjes bleken de neuronen dikker dan normaal. Ze hadden ook een groot aantal verbindingen met andere zenuwcellen, wat ze gevoeligheid voor prikkels verhogen kan. Ook het hersenvolume van deze muizen was groter dan normaal.
De onderzoekers willen nu gaan kijken of ze de genetisch gemanipuleerde muizen met medicatie kunnen behandelen, om hun toestand om te keren.
(Neuron, Vol 50, 343-345, 4 May 2006)



