Gedragsproblemen en criminaliteit

You are currently browsing the archive for the Gedragsproblemen en criminaliteit category.

Vriendschap beïnvloedt de manier waarop probleemgedrag zich ontwikkelt. Dat blijkt uit onderzoek van Maarten Selfhout, die promoveert aan de Universiteit Utrecht.

Hij analyseerde de gegevens van twee langlopende onderzoeken, CONAMORE en Mijn Eerste Jaar. In CONAMORE werden vragenlijsten afgenomen bij jongeren van 11 tot 20 jaar. In het project Mijn Eerste Jaar vulden 205 eerstejaars studenten gedurende vier maanden online vragen in.
Uit zijn analyses blijkt dat crimineel gedrag van jongens toeneemt als ze criminele vrienden hebben. Meisjes die hun vriendschappen als hecht ervaren, zijn minder vaak depressief. Daarnaast ontdekte Selfhout dat internetgebruik door jongeren zonder goede vrienden een hogere mate van depressie en angst voorspelt.

Bron: Universiteit Utrecht

Kinderen die van hun ouders weinig mogen en die afhankelijk worden gehouden plegen op latere leeftijd vaker dan gemiddeld delicten. Dat blijkt uit het proefschrift ‘Parenting and juvenile delinquency’ van M. Hoeve.

Ook voor (verwaarloosde) kinderen op wie niet wordt gelet geldt dat zij vaker delinquent gedrag gaan vertonen, zo blijkt uit het onderzoek van Hoeve. Daarnaast blijkt uit het onderzoek dat delinquente jongens als kind vaker zijn verwaarloosd en hard gestraft, terwijl delinquente meisjes eerder te maken hadden met te toegeeflijke ouders.
Hoeve analyseerde gegevens over 400 Nederlandse kinderen en hun ouders en 1000 jongens uit Pittsburgh (VS) tussen de 7 en 27 jaar. Hierbij werd gekeken naar verschillende opvoedingsstijlen en hun samenhang met delinquent gedrag, sekseverschillen en de langetermijneffecten van opvoeding.

(Radboud Universiteit Nijmegen)

Volgens Joseph Hibbeln, die als arts en onderzoeker verbonden is aan het ‘National Institute of Health’, verandert de moderne industrieel geproduceerde voeding de architectuur en het functioneren van onze hersenen. Stemmingsproblemen en agressiviteit zouden daarvan het gevolg zijn.

junk.jpgEen groot deel van de Westerlingen lijdt aan fundamentle tekorten van noodzakelijke voedingsstoffen. Hij doelt vooral op een tekort aan essentiële vetten, die nodig zijn voor een goede werking van de hersenen. Dit tekort leidt tot mentale problemen, zoals depressie en agressie. Hibbeln is van overtuigd dat junkfood ons ‘gek’ en agressief maakt.

Een deel van de psychiatrische stoornissen is naar zijn mening te voorkomen is door het voedingspatroon te volgen dat de hartstichting aanraadt. Wat werkt tegen hart- en vaatziekten, voeding die rijk is aan vette vis, werkt ook tegen stemmingsproblemen. Daarnaast is het nodig om commerciële saladedressings, margarine en gefrituurd eten compleet te schrappen, stelt hij. Die zijn te rijk aan oliën van planaardige bron vol met omega-6-vetzuren, die de omega-3-vetzuren vervangen met alle negatieve gevolgen van dien. Volgens Hibbeln is er een verband tusswen de toename van het aantal moorden in 38 onderzochte landen sinds de jaren 1960 en de consumptie van omega-6-vetzuren van plantaardige oorsprong. Een land als Japan waar vette vis op het dieet is blijven staan, heeft veel minder te kampen met moorden en depressies.
Hibbeln gaat misschien ver in zijn uitspraken, maar zijn adviezen om voor voeding te kiezen die rijk is aan omega 3 zijn gestaafd op een reeks van onderzoeken. Die ondersteunen inderdaad de positieve effecten van vette vis, waarin de omega-3-vetzuren rijkelijk aanwezig zijn.

(Guardian)

In de maatschappij wordt vooral gepleit voor ‘externe controle’: meer blauw op straat, handhaving van de regels met steeds strengere straffen. Misschien is het beter meer aandacht te richten op de ‘interne controle’ of zelfcontrole, die het beste in de jonge jaren wordt geleerd. Het aanleren van zelfcontrole is voor kinderen een belangrijke ontwikkelingstaak. Als kinderen er niet in slagen om deze taak onder de knie te krijgen, ontwikkelen zij depressieve klachten of gedragsproblemen.

Daarom heeft Teun van Manen een groepsbehandeling ontwikkeld voor kinderen bij wie het schort aan zelfcontrole. Met zijn klinische, gecontroleerde onderzoek toont hij de effectiviteit van de sociaal-cognitieve groepsbehandeling ‘Zelfcontrole’ voor agressieve kinderen. Daarmee leren agressieve kinderen om controle te krijgen over hun gevoelens, gedachten en gedrag. In een veilige omgeving oefenen ze samen met nieuw geleerde vaardigheden, bijvoorbeeld via rollenspel. Er is aandacht voor luisteren naar de ander, op je beurt wachten, aandacht voor jezelf vragen en aandacht aan anderen geven. Ook leren delen en communicatieregels toepassen komen aan bod.

De groepsbehandeling wordt bij verschillende groepen kinderen en jongeren en door verschillende hulpverleners toegepast. De brede toepasbaarheid komt onder andere door de theoretische ondersteuning en het relatief kleine aantal zittingen van het programma. Meer investeren in dergelijke interventies zal niet alleen het agressieve kind, maar uiteindelijk ook de samenleving ten goede komen.

[Promotie T.G. van Manen: Assessment and Treatment of Aggressive Children from a Social-Cognitive Perspective.
Bron: UVA, 16-11-2006]

De ouder-kind relatie op het moment dat het kind naar de basisschool gaat, bepaalt mede het gedrag van het kind op 9-jarige leeftijd.



Bij 267 jongens en meisjes is vanaf het moment dat zij in de kleuterklas zaten gedurende een aantal jaren de relatie tussen de ouder-kind relatie, waarbij gekeken is naar warmte, communicatie en betrokkenheid, op 5-jarige leeftijd en gedragsproblemen bij het kind op 9-jarige leeftijd onderzocht.



Een hoge mate van warmte, communicatie en betrokkenheid van de ouder bleek samen te hangen met minder gedragsproblemen bij het kind op 9-jarige leeftijd. Het op jonge leeftijd opbouwen van een positieve relatie met het kind, blijkt daarmee een beschermingsfactor voor de ontwikkeling van latere gedragsproblemen, zoals spijbelen, drugsgebruik en delinquentie, te zijn. Het praten met en luisteren naar kinderen en het tonen van interesse en betrokkenheid kan bijdragen aan een goede ouder-kind relatie, aldus de onderzoekers. (Child Development, september/oktober, 2005)

Psychopaten staan bekend om hun oppervlakkige manier van emoties uiten en volledig ontbreken van enige schuldgevoelens en inlevingsvermogen.

Een Duits onderzoeksteam vergeleek 17 mensen met een anti-sociale persoonlijkheidsstoornis (de officiële diagnose voor psychopathie) met 17 normaal functionerende mensen. Geconstateerd werd dat de psychopaten het bijzonder moeilijk vinden om gezichtsuitdrukkingen van emoties, zoals boosheid, angst en verdriet, van elkaar te onderscheiden.

De conclusie: er is een verband tussen beperkte verwerking van informatie over emoties en anti-sociaal gedrag. Alleen van preventieve programma’s kunnen we misschien verandering in dit opzicht verwachten. Kinderen met dergelijke inschattingsproblemen kunnen in een vroegtijdig stadium worden gesignaleerd en gediagnosticeerd, om via trainingsprogramma’s de emotionele / sociale vaardigheden extra te oefenen en te trainen.

(Aggressive Behavior,Volume 28, 394-400)

De twee hersenhelften lijken onvoldoende met elkaar te communiceren bij mensen die een antisociale persoonlijkheid hebben en handelen zonder geweten.

Om de rol van het corpus callosum in deze te onderzoeken (de bundel zenuwen dien de twee hersenhelften aan elkaar verbindt) bestudeerden onderzoekers 15 mannen met een antisociale persoonlijkheidsstoornis en een controlegroep van 25 mannen. Ze maakten gebruikt van MRI (magnetic resonance imaging). Dat liet zien dat de antisociale psychopathen een dikker corpus callosum hebben.

Blijkbaar is de basis van hun gewetenstekort niet in de puberteit of volwassenheid gelegd, maar op het moment dat hun hersenen zich op jonge leeftijd ontwikkelden. Dan is het toch merkwaardig dat mensen bij wie het corpus callosum is doorgesneden goed blijken te kunnen functioneren in het dagelijks leven. Experimenten hebben echter laten zien dat de hersenhelften totaal onafhankelijk van elkaar functioneren.

(Archives of General Psychiatry, november 2003; 60: 1134-1142)

De werking van hersenen wordt ontrafeld, wat sommigen onterecht doet denken dat ‘al ons gedrag biologisch bepaald is’. Hoe dan ook, interessant is dat wetenschappers in het jaar 2000 duidelijk het verband aantoonden tussen crimineel gedrag en afwijkingen in de hersenstructuur.

Bij mannen die frustraties uiten in de vorm van woede-aanvallen en fysiek geweld zou de prefrontale cortex in de hersenen niet goed functioneren. Dit gebied stelt mensen in staat om zichzelf te beheersen, problemen op te lossen en gewetensvol te handelen. Dat blijkt uit onderzoek door psychopatholoog Raine van de Universiteit van Southern California.


Hij stelt dat mensen met een dergelijke disfunctie gemakkelijker overgaan tot anti-sociaal gedrag. Toch is het belangrijk te beseffen dat de biologie niet het noodlot bepaalt. Sommige mensen met prefrontale tekorten worden niet asociaal en sommige anti-sociale mensen hebben de afwijking niet. De omgeving blijft een belangrijke invloed hebben, positief of negatief. Zo liet onderzoek zien dat kinderen die veel gewelddadige computerspelletjes spelen zich vaker agressief gedragen.



Dit soort onderzoeken roept vragen op. Als je ervan uitgaat dat mensen zelf niet verantwoordelijk zijn voor de schade aan de hersenen, moeten ze dan wel verantwoordelijk worden gesteld voor hun daden? Volgens Raine wegen andere factoren mee (zoals een eigen geschiedenis van seksueel misbruik of geweld), maar is de rol van de biologische factor langdurig over het hoofd gezien.

Er is op dit moment geen manier om de disfunctie op te heffen, maar je kunt bij kinderen een ontsporende ontwikkeling voorkomen.

Bij 5% van de kinderen zou het probleem van de disfunctionerende prefrontale cortex zich voordoen. Die 5% zou verantwoordelijk zijn voor 50% van alle misdaden.

Raine oppert dat gedragstherapie en biofeedback kunnen voorkomen dat het kind zich ontwikkelt tot een anti-sociale persoon, omdat ze daarmee zelfcontrole leren. Verder moeten ze begeleid worden om via veilige activiteiten te voldoen aan hun vergrote prikkelbehoefte. Die begeleiding voorkomt dat ze hun toevlucht zoeken in agressiviteit.

Raine is de auteur van ‘The Psychopathology of Crime: Criminal Behavior as a Clinical Disorder‘.

Jarenlang discussiëren gedragswetenschappers met elkaar over de vraag of sociale afwijzing veroorzaakt worden door agressiviteit of het resultaat ervan zijn. Nu wijst een recent onderzoek erop dat sociale uitsluiting inderdaad leidt tot agressief gedrag en geweld. Dus: kinderen die normaal gesproken niet agressief worden, worden het vaak wèl na afwijzing door hun leeftijdgenoten.

Bijna alle voorvallen waarbij kinderen op elkaar gingen schieten in de VS, hadden te maken met afwijzing door anderen.



Onderzoekers deden meerdere tests om hun theorie te staven.

Studenten deden mee in een groep waarin eerst een kennismakingsopdracht gegeven werd. Daarna werd ze gevraagd om de twee mensen uit te kiezen met wie ze graag zouden willen samenwerken. Aan de helft van de studenten werd verteld dat niemand met hen wilde werken. De rest kreeg te horen dat iedereen graag met ze samenwerkte.

Vervolgens liet men de studenten een computerspel spelen, waarin de winnaar in staat was om de verliezer met een onplezierig geluid te overdonderen. De studenten was verteld dat ze tegen een andere persoon speelden, terwijl in feite de computer de antwoorden van de tegenspeler nabootste.

Door de studenten een ‘wapen’ in handen te geven waarmee ze de ander konden bezeren, een onprettig geluid, probeerden de onderzoekers om hun conclusies toepasbaar te maken of gewelddadig gedrag buiten het laboratorium.

De afgewezen studenten vertoonden meer agressie dan hun leeftijdgenoten, zo laten de onderzoeksresultaten zien. Ze neigden ertoe het nare geluid langer aan te houden met de hoogste intensiteit, zelfs toen verteld was dat ze het niet richten tegen de personen die hen hadden afgewezen tijdens de eerdere groepsopdracht.

Zelfs onschuldige omstanders zijn dus het doelwit van de agressie van afgewezen mensen. Dit principe lijkt volgens de onderzoekers sterk op de schietpartijen in scholen, waarbij de indringers de school inliepen en onschuldige mensen doodden die niets te maken hadden met hun afwijzing.



Nu benadrukken de onderzoekers om volwassenen te adviseren om zoveel mogelijk tussenbeide te komen als een leerling door een ander wordt lastiggevallen, verwezen op of wrede manier gepest. Het is namelijk belangrijk om het probleem van agressie bij de bron aan te pakken: kinderen moet geleerd worden hoe veel het pestgedrag de ander beschadigt.

(Bronnen: Journal of Personality and Social Psychology;201:1058-1069, Reuters health)

Dat sociale factoren kunnen leiden tot misdadigheid is bekend. Maar ook een lage hartslag en allerlei andere kenmerken lijken een rol te spelen. Het biologische onderzoek naar misdaad komt langzaam uit het verdomhoekje.

Is het waar dat criminelen meer met hun handen bewegen dan andere mensen? En zijn ze inderdaad vaker dan gemiddeld linkshandig? En wijst die linkshandigheid werkelijk op beschadiging van de (talige) linkerhersenhelft? En wat betekent het eigenlijk dat meer dan negentig procent van de mannen die hun vrouw mishandelen ooit een hoofdwond zou hebben gehad?

Veel vreemde feiten en weinig zekerheid kenmerken het onderzoek naar criminaliteit. Veel onderzoek is nooit herhaald. We weten nog heel weinig.



De voornaamste conclusie van onderzoek (door Raine) is dat lichamelijke kenmerken (vooral in de hersenen, zenuwstelsel en hormoonsysteem) risicofactoren kunnen vormen voor een misdadige carrière (samen met maatschappelijke en psychologische factoren). Maar welke lichamelijke kenmerken samengaan met welke specifieke misdrijven is niet duidelijk. Raine: “Dit soort onderzoek is zolang onderdrukt dat we in feite nog maar net begonnen zijn.”

Raine maakte onder meer hersenscans van 41 ontoerekeningsvatbaar verklaarde moordenaars.

Conclusie: ze hadden opvallende schade aan de prefrontale cortex, die cruciaal wordt geacht voor rationeel en normaal gedrag. Dergelijk onderzoek kun je zien als het begin van de ontdekkingstocht naar de relatie tussen hersenenprocessen en gedrag. We moeten ervoor oppassen dat we teveel doorslaan in de tendens om alles biologisch te verklaren, maar zeker is dat er een dunne scheidingslijn is tussen ons psychisch en lichamelijk functioneren. Het beïnvloedt duidelijk het ander.