Problemen bij kinderen

You are currently browsing the archive for the Problemen bij kinderen category.

Angstige of depressieve kinderen hebben een tweemaal zo hoge kans op angstproblemen en depressies op latere leeftijd. Dat blijkt uit onderzoek van Joni Reef, waarop zij op 21 mei promoveert.

Het onderzoek is gebaseerd op gegevens uit een langlopend bevolkingsonderzoek naar de ontwikkeling van gedragsproblemen en emotionele problemen vanaf de kindertijd tot in de volwassenheid, dat is gestart in 1983. Reef onderzocht of de kinderen van toen met gedragsproblemen of emotionele problemen, nog steeds met problemen kampen.
Reef concludeert dat kinderen met reactief antisociaal gedrag, ofwel ongehoorzame en driftige kinderen, vaak last hebben van angst of depressies op latere leeftijd. Kinderen die uit eigen beweging antisociaal zijn en bijvoorbeeld liegen, vandalistisch zijn of stelen, lopen kans als volwassene te ontsporen.

(Medicalfacts.nl)

Huiselijke stress en geweld in de buurt verergert de klachten van astma bij kinderen. Dat blijkt uit onderzoek bij 8-14 jarigen.

Ernstige astma heeft een grote invloed op het leven en welzijn van kinderen. In de huidige studie werd onderzocht welke invloed stress bij ouders en criminaliteit in de directe omgeving heeft op de ernst van astma bij kinderen. Het onderzoek werd uitgevoerd bij 561 kinderen met aangetoonde astma.
Via vragenlijsten en informatie van artsen werden de ernst van astma, stress bij de ouders en de mate waarin deze bloot stonden aan geweld bekend.
41% van de kinderen leed aan matige tot ernstige astma. De kans om in deze categorie te vallen bleek significant geassocieerd te zijn met stress bij ouders of verzorgers, het wonen in een criminele buurt, het zien van geweld of het horen spreken over geweld. Uit de analyses blijken stress en geweld de belangrijkste factoren zijn die de ernst van astma bepalen.

(Eurekalert)

Recent onderzoek heeft aangetoond dat kinderen met een onveilige hechting in de vroege jeugd in de latere kinderjaren een grotere kans hebben op gedragsproblemen. Dit was al langer bekend, maar de onderzoeken waren nooit consistent.

De conclusies zijn gebaseerd op analyse van 69 studies waarbij bijna 6000 kinderen betrokken waren. Naast enkele Engelse universiteiten, heeft ook de universiteit van Leiden meegewerkt.

Kinderen die veilig gehecht zijn, hebben positieve ervaringen met hun zorgverleners en verwachten dat de zorg beschikbaar is wanneer nodig. Kinderen met een onveilige hechting missen deze zekerheden en dat maakt hun vatbaar voor de ontwikkeling van gedragsproblemen. Ook wanneer opvoeders niet consistent of eenduidig & veilig in reacties zijn, is dit een verlies van zekerheid voor het kind, waardoor het een groter risico loopt op problemen.
Kinderen met een autisme spectrum stoornis (ASS) hebben een nog grotere behoefte aan mensen die eenduidig reageren. Ze hebben een voorspelbare omgeving nodig. Een tekort hieraan zal hun tekortkomingen eerder blootleggen.
(Bron: MedicalNewsToday)

Kinderen met ADHD reageren anders op het krijgen van feedback dan kinderen met een autistische stoornis en kinderen zonder ontwikkelingsstoornis. Dat stelt Yvonne Groen, die op dit onderwerp is gepromoveerd aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zij analyseerde de reacties van de hersenen en de hartslag, terwijl kinderen de feedback op hun antwoorden verwerkten.

Tijdens het uitvoeren van een taak pasten de kinderen met ADHD hun gedrag in mindere mate aan als zij feedback kregen dan andere kinderen. Daaruit concludeert Groen dat zij de gevolgen van hun eigen gedrag niet zo goed kunnen voorspellen. Dit maakt hen voor het aanpassen van gedrag afhankelijk van reacties van buitenaf. Ritalin vermindert dit probleem. Kinderen met ADHD die Ritalin slikten, bleken minder afhankelijk van feedback.
Uit de resultaten blijkt verder dat kinderen met ADHD of een autistische stoornis minder emotioneel op negatieve feedback reageren dan kinderen zonder ontwikkelingsstoornis.

Bron: Rijksuniversiteit Groningen

Kinderen die aan het begin van de basisschool bij een vriendengroep horen, hebben minder kans op psychische problemen zoals angst- en depressieklachten. Dat blijkt uit promotieonderzoek van Miranda Witvliet.

Verder blijkt uit de resultaten dat jongens in de laatste jaren van de basisschool meer kans hebben op agressief en opstandig gedrag als ze tot een vriendengroep behoren, waarvan de andere groepsleden problematisch gedrag vertonen.
Kinderen uit vriendengroepen die veel pesten, zijn vaak populair bij de andere klasgenoten. Witvliet concludeert dat pestgedrag functioneel kan zijn voor kinderen die bij een populaire vriendengroep willen horen.

Bron: Vrije Universiteit Amsterdam

Vriendschap beïnvloedt de manier waarop probleemgedrag zich ontwikkelt. Dat blijkt uit onderzoek van Maarten Selfhout, die promoveert aan de Universiteit Utrecht.

Hij analyseerde de gegevens van twee langlopende onderzoeken, CONAMORE en Mijn Eerste Jaar. In CONAMORE werden vragenlijsten afgenomen bij jongeren van 11 tot 20 jaar. In het project Mijn Eerste Jaar vulden 205 eerstejaars studenten gedurende vier maanden online vragen in.
Uit zijn analyses blijkt dat crimineel gedrag van jongens toeneemt als ze criminele vrienden hebben. Meisjes die hun vriendschappen als hecht ervaren, zijn minder vaak depressief. Daarnaast ontdekte Selfhout dat internetgebruik door jongeren zonder goede vrienden een hogere mate van depressie en angst voorspelt.

Bron: Universiteit Utrecht

Het karakter van een kind is van invloed op de opvoeding. En die invloed neemt toe naarmate het kind ouder wordt. Dat concluderen Utrechtse ontwikkelingspsychologen in het artikel ‘It takes two to tango’.

Wanneer een kind ouder wordt, is het steeds belangrijker dat het zijn gedrag zelf reguleert. Als dat niet goed gaat, gaan ouders het kind vaak strenger opvoeden.
De karakters van ouder en kind bepalen in gelijke mate de sfeer binnen het gezin. Het blijkt dat die het best is wanneer de ouder extravert is en het kind vriendelijk. Ze staan dan meer open voor contact en houden meer rekening met elkaar.
Het artikel wordt gepubliceerd in Developmental Psychology.
(Universiteit Utrecht)

Kinderen die in hun jonge jaren geen vrienden hebben, vertonen op latere leeftijd meer agressie dan andere kinderen. Dat geldt ook voor kinderen die aan het begin van de basisschool in een vriendenkring zitten met kinderen die al agressief gedrag vertonen.

vriendschapDat blijkt uit het onderzoek ‘Friendship and agression in elementary school’ van Hanneke Palmen. Zij promoveerde op 15 juni hierop aan de Universiteit Utrecht. Palmen onderzocht vier groepen kinderen van groep 3 tot groep 7 op agressie, schoolprestaties en eenzaamheid.

Zij onderzocht de overeenkomsten en verschillen tussen leerlingen met agressieve en niet-agressieve vrienden.
Kinderen met agressieve vrienden presteerden even goed op school en ervoeren in gelijke mate gevoelens van eenzaamheid als kinderen zonder agressieve vrienden. Kinderen zonder vrienden doen het ook op andere gebieden niet zo goed in de bovenbouw. Deze kinderen worden later minder aardig gevonden door hun klasgenoten en zijn eenzamer dan kinderen met (agressieve of niet-agressieve) vrienden.

(Bron: Universiteit Utrecht)

Hoe leg je een 12-jarige uit wat het betekent dat zijn moeder schizofreen is? Of dat een klasgenoot autistisch is? Gestoord maakt dit met begrijpelijke teksten over allerlei psychische aandoeningen gemakkelijker. Het boekje geeft uitleg over aandoeningen als eetstoornissen, autisme, psychoses en depressiviteit.

GestoordHet boek is een initiatief van Arjen Bergman die werkzaam is bij het inloophuis psychiatrie in Leiden. Bij het ontvangen van klassen bij het GGZ-informatiepunt merkte hij dat bestaande folders over psychiatrie te ingewikkeld waren voor kinderen. Met dit werk hoopt hij een alternatief te bieden.
De teksten zijn bedoeld voor jongeren van 11 tot 17 jaar. Men wil deze jeugdigen en jongeren ’raar’ gedrag leren begrijpen.
Naast uitleg over psychische aandoeningen bevat Gestoord de strip Hersenspinsels van de Vlaamse striptekenaar Steven Dupré. In de andere helft van het boek wordt aandacht besteed aan een anorexiapatiënt, een autist en een jongen die zo depressief is dat hij zelfmoord wil plegen.
Met voorbeelden en heldere teksten hebben de schrijvers geprobeerd om aan te sluiten bij de belevingswereld van de doelgroep. Mensen met psychische problemen doen soms ’raar’ of ’irritant’, en dit komt ’doordat er iets mis is in hun hersenen’.

Het stripboek is te bestellen via het GGZ Informatiepunt Leiden en via Van Stockum.

Pubers hebben meer moeite om zich te verplaatsen in het standpunt van anderen. Dat zeggen wetenschappers van het University College in Londen op basis van een computerexperiment.

In het onderzoek kregen de deelnemers een afbeelding te zien van een man voor een boekenkast met daarin verschillende objecten. Doordat sommige planken in de kast van één kant afgeschermd waren, kon de man niet alles zien. De proefpersonen moesten zich inleven in de man op het scherm en het object dat voor hem te zien was verplaatsen. Vooral pubers bleken moeite te hebben om het gezichtspunt van de persoon op de afbeelding aan te nemen. Het experiment geeft inzicht in de reden waarom pubers zich vaak ongevoelig gedragen ten opzichte van anderen.
Meer informatie: New Scientist
Bron: Nu.nl

Bibbers.nlOp de nieuwe website Bibbers kunnen kinderen zichzelf testen om te kijken of ze last hebben van een angst- of dwangstoornis.
Verder staan er allerlei tips waarmee ze ervoor kunnen zorgen dat ze in het vervolg minder bang zijn of minder snel toegeven aan een dwanggedachte of handeling.
De website www.bibbers.nl is een initiatief van de stichting angst, dwang en fobie. Zeven procent van de Nederlandse kinderen heeft in meer of mindere mate last van angstklachten. Van Nispen, coördinator van de ADF: ‘Als er niet op tijd iets aan hun angst- of dwangstoornis wordt gedaan, bestaat de kans dat ze hier op latere leeftijd meer last van krijgen.’

Kinderen kunnen afvallen als het juiste boek lezen. Dit komt naar voren uit onderzoek door het Duke Children’s Hospital, waaraan een groep te dikke meisjes tussen de negen en de dertien jaar meedeed.

Cover Lake RescueDe onderzoekers lieten dertig meisjes het boek Lake Rescue (Annie Bryant) lezen.
Een tweede, ongeveer net zo grote groep, las een ander boek, Charlotte in Paris. Een controlegroep van vijftien meisjes las geen enkel boek.
Lake Rescue gaat over een dik meisje dat met haar school gaat kamperen. Kinderen plagen haar omdat ze dik is. Ze heeft geen vrienden en maakt zich er zorgen over of het schoolreisje wel goed zal aflopen. Maar ze maakt vrienden en herwint haar zelfrespect. In het kamp ontmoet ze een coach die haar leert hoe belangrijk lichaamsbeweging voor haar is en hoe ze gezond moet eten. De mentor houdt de hoofdpersoon ook op het juiste spoor.
Het belangrijkste personage in Charlotte in Paris is geen dik meisje. Het boek gaat niet over overgewicht.
Toen de onderzoekers na zes maanden de meisjes weer opzochten, maten ze dat de BMI van de meisjes die Lake Rescue hadden 0,71 punten was gezakt. De BMI van de meisjes die het andere boek hadden gelezen, was met 0,33 punten verminderd, terwijl de BMI van de meisjes in de controlegroep met 0,05 was gestegen. Het lezen van het boek Lake Rescue verbeterde ook de manier waarop de kinderen tegen zichzelf aankijken, zo bleek uit psychologische tests.
Dit onderzoek is de eerste studie die aantoont dat boeken een positief effect op de leefstijl en het lichaamsgewicht van kinderen kunnen hebben. Via boeken is het dus mogelijk om gezond gedrag door kinderen te stimuleren.

(Daily Mail, Obesity Society)

Pestweb lanceert deze week het Pestkwartet, een nieuwe manier om pesten bespreekbaar te maken voor kinderen in de leeftijd van acht tot veertien jaar.

In dit spel wordt aandacht besteed aan de omstanders bij pesten, een nieuwe invalshoek om pesten aan te pakken. Alle kinderen in een groep nemen een bepaalde rol in bij pesten. Bekend zijn de rol van pester en gepeste, maar ook de grote groep omstanders heeft aandeel. Zo zijn er de stille, die pesten afkeurt maar niets doet; de helper, die opkomt voor de gepeste; de stiekemerd, die stiekem het pesten aanmoedigt; de buitenstaander, die zich nergens mee bemoeit en de meepester, die meepest om zelf niet gepest te worden.
Ook de rollen van de ouders, leerkracht en vertrouwenspersoon maken deel uit van dit
Pestkwartet. Door het spelen van het Pestkwartet krijgen kinderen inzicht in alle betrokken rollen bij pesten en maakt het hen bewust van hun eigen rol bij het pesten.

Pestweb logoDe elf setjes kaarten gaan uit van ‘wat voel ik, wat denk ik, wat wil ik en wat doe ik’, waardoor kinderen aan het denken worden gezet.
Zowel op school als thuis kan het gespeeld worden, preventief of als pestsituaties aan de orde zijn. Het spel is te bestellen via www.pestweb.nl. Op deze site staan ook tips voor leerkrachten om het spel in te zetten in de onderwijsleersituatie.

www.pestweb.nl (0800 – 2828 280)

Voor kinderen van wie de moeder rookte tijdens de zwangerschap geldt dat zij meer kans hebben om zich angstig, depressief of teruggetrokken te voelen. Dat blijkt uit onderzoek van Van Lier van de Vrije Universiteit Amsterdam, die deze conclusie baseert op de uitkomsten van vragenlijstonderzoek onder 396 ouders. Vragen gingen in op het gedrag van hun kind op de leeftijd van 5, 10 of 11, en 18 jaar. Behandelaars moeten zich bewust zijn van de extra risico’s die deze kinderen lopen, zo stelt Van Lier.

(Journal of the AACAP, juli 2008)

Hoeveel last een kind van heimwee heeft, hangt samen met eerdere ervaringen, persoonlijkheid en familiefactoren. Ook de manier waarop het kind tegen het verblijf ver van huis aan kijkt, is bepalend voor de mate van heimwee. Zo is de verwachting dat heimwee op zal treden vaak een self-fulfilling prophecy.
heimwee
Wat is heimwee eigenlijk precies? Het wordt in de Van Dale omschreven als “sterk verlangen naar geboortegrond, huis e.d.” Heimwee bestaat in gradaties, maar het kan leiden tot psychische nood en beperkingen in het functioneren. Het centrale kenmerk van heimwee is het voortdurend denken aan thuis, en alles wat met thuis te maken heeft. Het kan optreden als iemand van huis is, maar ook al voor vertrek.

Hoe is heimwee te voorkomen? Ten eerste is het van belang om kinderen te betrekken bij het voorbereiden van hun verblijf elders. Samen plannen maken en informatie zoeken over de nieuwe omgeving, zorgt voor een gevoel van controle. Ook kan het helpen van tevoren eens te praten over heimwee. Vertel dat het normaal is om je vertrouwde omgeving een beetje te missen. Dat is niet erg; het betekent gewoon dat er veel dingen zijn die je fijn vindt aan thuis. Als de heimwee te erg wordt, zijn er genoeg manieren om er zelf iets tegen te doen. Zo kan het helpen om leuke dingen te doen met andere kinderen, iets te doen om je dichter bij huis te voelen (bijvoorbeeld een foto bekijken of een brief naar huis schrijven), steun te zoeken bij anderen of te denken aan de positieve kanten van de situatie. Ook de gedachte dat je eigenlijk maar een korte tijd van huis bent, kan heimwee tegengaan. Bespreek deze manieren met het kind, en oefen ze zo nodig door van tevoren een generale repetitie te houden in de vorm van een logeerpartijtje.
Al vind je het zelf misschien ook spannend, het is van belang om als ouder vooral enthousiast en positief te zijn over de tijd die het kind elders door gaat brengen. Ambivalente of negatieve opmerkingen (“Ik hoop maar dat het allemaal goed gaat!”) kunnen bij kinderen leiden tot piekeren en uiteindelijk tot meer heimwee. Deel je eventuele zorgen dus liever met andere volwassenen.
Onderzoeken geven geen eenduidig antwoord op de vraag of het verstandig is om als ouder te bellen en te mailen met een kind dat gebukt gaat onder heimwee. De ervaring leert dat kinderen die een wat kortere tijd van huis zijn, beter niet met het thuisfront kunnen bellen. De heimwee kan hierdoor juist toenemen. Een brief schrijven is in dit geval een betere manier om contact te houden. Als een kind langer van huis is (bijvoorbeeld meer dan 4 weken), is het handig om afspraken te maken over wanneer er telefonisch contact is, of het kind per e-mail op de hoogte te houden van de thuissituatie.
De onderzoekers raden sterk af om met kinderen af te spreken dat ze opgehaald worden “als het echt niet gaat”. De kans op succes wordt hierdoor verkleind. Ouders die aan een goede afloop twijfelen en negatieve verwachtingen over het verblijf elders, zijn funest voor heimwee. Kinderen worden bovendien met een dergelijk “vluchtplan” niet gestimuleerd om zelf de moeilijke situatie te overwinnen en zo een positieve ervaring op te doen.

Pediatrics

Jongens van twaalf jaar worden dikker als ze een tv op hun slaapkamer hebben. Onderzoekers van de universiteit van Strasbourg kwamen daarachter in hun studie bij vierhonderd twaalfjarigen. Om onbekende redenen zijn beschermd tegen de dikmakende invloed van TV-bezit.
De Fransen wetenschappers volgden de jongeren drie jaar. Ze opperen dat het mogelijk is dat tv-kijken uitnodigt tot snoepen. Toch blijkt er geen verband te bestaan tussen een TV op de slaapkamer en beweging. Het is niet zo dat jongeren met een beeldbuis op de slaapkamer minder lichamelijk actief zijn. Jongens uit gegoede milieus zijn er net zo vatbaar voor als jongens uit de klassen die het minder breed hebben. Vetzucht is daarmee niet alleen maar een probleem van de lagere sociale klassen.

(Obesity)

Diverse vormen van psychotherapie helpen goed om de tics te verminderen bij kinderen en volwasssen die last hebben van het Tourette syndroom of vergelijkbare ticstoornis.

Amerikaanse onderzoeken gingen de effectiviteit na van een reeks van psychosociale behandelingen die erop gericht is om tics in frequentie of ernst te laten afnemen. Het ging om behandeling bij onwillekeurige spontane, reflexachtige bewegingen of vocale uitingen.
Vooral werkzaam bleek een techniek waarbij mensen bij tics zich bewust worden gemaakt van de prikkels die hieraan voorafgaan of ermee samengaan, zodat ze het ticgedrag konden leren vervangen door meer passend concurrerend gedrag. Ook blootstelling aan situaties die normaal gesproken vermeden worden werkt, zo blijkt uit de studie.
Het aanleren van nieuw gedrag voor de veel voorkomende uitlokkers of tic gevende situaties werkt in feite nog het beste.
Er is dus meer aan te doen dan alleen maar behandeling met medicijnen. Bovendien geldt dat de symptomen afnemen wanneer de omgeving weet heeft van wat Tourette inhoudt, zodat het mogelijk is zich in te leven in de denkwijze van personen met Tourette. Dat verhoogt de kans dat men goed reageert op de kenmerken, wat de spanning bij de persoon met de ticstoornis doet afnemen.

(Clinical Psychology: Science and Practice)

Bij pubers is het verband tussen het overslaan van het ontbijt en dik worden nog groter dan het verband tussen alcohol en overgewicht. Dat komt naar voren uit een onderzoek bij 35,00 middelbare scholieren.

De onderzoekers hielden interviews bij scholieren uit de tweede en de vierde klas. Vooral bij de scholieren uit de tweede klas was het verband tussen ontbijt en overgewicht sterk.
Uit onderzoek in de jaren negentig bleek dat dertien procent van de Nederlandse pubers niet ontbijt.
(Eur J Clin Nutr. 2007 Nov 28)

Naar schatting krijgt ongeveer 10% van de jonge moeders te maken met een depressie na de geboorte. Vanzelfsprekend heeft die toestand een negatieve invloed op het omgaan van moeder en kind. Een moeder met een depressie is meestal minder gevoelig zijn voor signalen die het kleine kindje afgeeft en zal dus niet direct hierop reageren, wat negatieve gevolgen kan hebben op de lange termijn. Deze moeders kunnen goed leren hoe het anders kan.

Door middel van thuisbegeleiding kunnen de moeders met depressie leren letten op de signalen van hun kind uitzendt. Dit is goed voor de kwaliteit van de interactie, zodat ook de hechting tussen moeder en kindje verbetert.
Dat blijkt uit een promotieonderzoek van de Radboud Universiteit Nijmegen, waarin is vastgesteld dat een relatief korte begeleiding tijdens het eerste levensjaar van het kindje de moeder-kindinteractie en de hechting inderdaad verbetert. Dit effect blijkt na een half jaar nog te bestaan.
De begeleiding bestaat uit tien keer bezoeken aan het gezin, waarbij video-opnames gemaakt worden van de moeder-kindinteractie. Een getraind team bekijkt deze video, waarbij er vooral op wordt gelet hoe de sensitiviteit van de moeder kan worden vergroot. De video wordt gebruikt om de moeder meer opmerkzaam te maken voor de signalen van haar kind.
Het is niet voldoende om alleen de depressie van de moeder te behandelen. Immers, als het verstoorde patroon eenmaal bestaat, is de moeder-kindinteractie moeilijk te veranderen.
De eerste fase in het leven van kinderen blijkt zeer belangrijk voor het vormen van banden met mensen. Uit onderzoek komt naar voren dat kinderen met een ouder met psychiatrische problemen later zelf een groot risico hebben op dergelijke klachten. Baby’s van een depressieve moeder kunnen kort na de geboorte al afwijkingen hebben in gedrag. Na een jaar zijn zij onrustiger en negatiever dan leeftijdgenootjes en vermijden ze het maken van oogcontact met hun moeder. Maar liefst 40 procent van de kinderen met een depressieve ouder maakt vóór de achttiende verjaardag zelf een depressie door.

(Persbericht Radboud Universiteit Nijmegen)

Het wordt al jarenlang vermoed, maar er is nog niet echt gefundeerd bewijs geleverd dat kleurstoffen de oorzaak vormen van druk gedrag. Tot nu toe. Britse onderzoekers hebben met hun data laten zien dat bepaalde kleurstoffen en conserveermiddelen inderdaad het gedrag van kinderen in negatieve zin beïnvloeden. Dat lichten ze toe in de Lancet.

kleurstof.jpgKleurstoffen, natriumbenzoaat of een combinatie daarvan vergrootten in een (placebogecontroleerd) onderzoek de hyperactiviteit bij kinderen. Er deden 153 kinderen van drie jaar en 144 kinderen van acht of negen mee aan het onderzoek, dat qua opzet aan alle voorwaarden voldoet om het keurmerk ‘goed’ te kunnen krijgen.
De kinderen kregen een drank met natriumbenzoaat en een van twee mengsels met kleurstoffen, òf een placebo (= drankje zonder kleurstoffen en/of natriumbenzoaat). Leraren en de ouders beoordeelden via vragenlijsten het gedrag van de kinderen, maar wisten niet welk drankje de kinderen hadden gekregen. De kinderen zelf wisten dat ook niet. Uit de gegevens blijkt dat de ouders en leerkrachten meer overbeweeglijkheid zagen bij de kinderen wanneer deze natriumbenzoaat, een mengsels met kleurstoffen, of beide hadden gekregen.

Onder andere is goed van dit onderzoek dat de kinderen die eraan deelnamen niet gekozen waren uit een groep hyperactieve kinderen. Ze waren afkomstig uit de gewone bevolking. Dat maakt de uitkomsten volgens de onderzoekers veelzeggend. Verrassend is dat vooral bijna alle kinderen – ook de rustige – gevoelig blijken voor kunstmatige kleurstoffen en bepaalde conserveermiddelen.
Wanneer ADHD is vastgesteld, werkt medicatie beter om de kenmerken van hyperactiviteit en impulsiviteit te verminderen dan verandering van het voedingspatroon. Toch kan het ook bij ADHD’ers geen kwaad om daarnaast ook nog eens te letten op de inname van kleurstoffen.

(The Lancet, 1 augustus 2007)

Teveel stress bij de ouders of gepest worden door leeftijdgenoten maken het voor te dikke kinderen lastig om af te vallen, zo blijkt uit een onderzoek onder een groep te zware kinderen.

coverStress bij ouders heeft namelijk een invloed op kenmerken van depressiviteit bij kinderen, net zoals dat geldt voor pesten. Dat blijkt uit een onderzoek onder bijna 100 kinderen met fors overgewicht.
De kinderen van wie de ouders te maken hebben met veel stress of depressieve klachten vertonen meer depressieve symptomen. Datzelfde geldt voor gepeste kinderen. Bekend is dat ouders een belangrijk steentje bijdragen als het gaat om het maken van gezonde keuzes, als het gaat om voeding en tussendoortjes. Echter, depressieve of gestresste ouders missen soms de energie om hun kind hierbij ondersteuning te bieden. Zo plannen ze weinig activiteiten met hun kinderen, waarbij ze lichamelijk actief zijn.
Volgens de onderzoekers helpt hun onderzoek erbij om de factoren te kennen die invloed hebben op (over)gewicht van kinderen. Daardoor wordt duidelijk wat een behandeling al dan niet effectief maakt.
De onderzoekers rapporteren over hun bevindingen in het laatste nummer van het wetenschappelijk tijdschrift Obesity.

Pubers worden slecht begrepen. Veel volwassenen zijn namelijk vergeten hoe ingrijpend de puberteit is geweest. En dat maakt dat volwassenen het lastig vinden om met een puber in gesprek te gaan. De lastige dillema’s waar ouders, leraren en opvoeders voor komen te staan, zijn te tackelen. Zo stelt Willem Heuves, die universitair docent in de klinische psychologie is, en een boek over deze groep schreef dat vol staat met praktische handreikingen.

Heuves stelt dat het van belang is om te beseffen dat pubers hun ouders nodig hebben om te begrijpen dat er grenzen zijn aan gedrag. Veel pubers proberen grenzen uit, maar rekenen er op dat ook bij problemen hun ouders er zijn om grenzen te herstellen en de schade beperkt te houden. Anderzijds merken ouders dat een verbod met meer werkt. Anders dan in de kindertijd kan een puber niet zo maar worden gedwongen tot het uitvoeren van een verzoek door een straf op te leggen. Het heeft dan ook geen zin om sancties in de strijd te gooien, waar ouders geen greep op hebben. Wat dan wel?
Heuves raadt aan om in gesprek te gaan. Wanneer je als ouders bijvoorbeeld merkt dat je zoon of dochter met wiet experimenteert, spreek je over eigen gevoel van angst en bezorgdheid en laat je de puber vertellen waarom hij gebruikt. Stel vragen als u iets niet snapt in plaats van te oordelen. Vertel waar hij of zij informatie of hulp kan krijgen over alcohol en drugs (www.drugsinfo.nl). Maak als ouders over dit onderwerp geen ruzie waar de zoon of dochter in kwestie bij is.

in ‘Pubers, ontwikkeling en problemen’ behandelt Heuves deze en andere problemen, zoals suïcidaliteit, gedragsproblemen, angst en depressie. Deze gids gaat in op het signaleren en oplossen van veelvoorkomende puberproblemen. In dat verband komt ook de achtergrond van problemen als uitvoerig aan bod. In het geval dat professionele hulp nodig is, geeft het boek advies op welke wijze die hulp het beste kan worden ingezet.

(Heuves W.: Pubers, ontwikkeling en problemen. Uitgeverij Van Gorcum, € 15.50)

Billboards met alcoholreclames mogen zich dan op volwassenen richten, toch blijken zij ook kinderen te beïnvloeden. Dit blijkt uit onderzoek bij kinderen tussen 12 en 14 jaar.

Kinderen, die naar school gaan in een buurt waar veel alcoholreclames aanwezig zijn (bijvoorbeeld in bushokjes of bij uitgaansgelegenheden), denken positiever over alcohol vergeleken met kinderen die niet worden blootgesteld aan dit soort reclames. Ook alleen het logo van een desbetreffend product blijkt dit effect te hebben.

Om het drankgebruik onder kinderen te verminderen, is het volgens de onderzoekers van belang strenger beleid te voeren als het gaat om alcoholgerelateerde reclames rondom scholen. (Journal of Studies on Alcohol and Drugs, juli 2007)

Hechtingsstoornissen zijn lastig vast te stellen, vinden deskundigen. Dat komt doordat de kenmerken niet altijd verschillen van andere stoornissen. Kinderen die aan een hechtingsstoornis lijden, hebben er moeite mee om zich op een gepaste wijze emotioneel te hechten aan hun ouders/verzorgers. De oorzaak kan liggen in verwaarlozing of mishandeling (geestelijk of lichamelijk), maar kan ook ontstaan als het kind niet voldoende gelegenheid krijgt om emotionele banden te vormen.
Vaak gaat men ervan uit dat ze het gevolg zijn van omgevingsfactoren, maar de vraag is of dat wel een terechte aanname is.

Britse wetenschappers gingen dit na door een onderzoek te doen bij 13.472 tweelingen uit de algemene bevolking. Ze bekeken onder andere of het gedrag dat kenmerkend is voor een hechtingsstoornis afwijkt van gedragingen die passen bij andere ontwikkelingsstoornisssen, zoals ADHD of autisme. Ook gingen ze na of dit gedrag bepaald wordt door genetische of door omgevingsfactoren.
De conclusie van hun onderzoek is dat het gedrag dat hoort bij een hechtingsstoornis wèl te onderscheiden valt van gedragingen die horen bij de categorie gedragsstoornissen, ADHD en emotionele problemen. Ten slotte concluderen de Britten dat een hechtingsstoornis in sterke mate bepaald wordt door genetische factoren. Dat is dus totaal anders dan verwacht. Bij jongens blijkt de erfelijke component een grotere rol te spelen dan bij meisjes.

(The British Journal of Psychiatry, juni 2007)

Wat je wel of niet tegen je kind zegt over een naderend kamp of logeerpartijtje kan heimwee en de daarmee samengaande angstreacties voorkomen.

heimwee.jpgBijna alle kinderen kampen met momenten waarop ze sterk naar hun thuis verlangen. Die gevoelens verdwijnen doorgaans als sneeuw voor de zon, wanneer ze momenten van plezier beleven op de plaats waar ze dan vertoeven. Dat proces is te versnellen door een goed gesprek met je kind, wanneer hij of zij voor enige tijd van huis weg is.

Tip 1: geef je kind enige beslissingsbevoegheid. Dat kan het gevoel geven het allemaal zelf in de hand te hebben, wat angst vermindert.
Tip 2: spreek in positieve woorden over de komende tijd weg van huis. Markeer de periode op een kalender, inclusief de dag van thuiskomst. Praat over de mensen die dan het kind begeleiden, de kinderen met wie er wordt samengespeeld en de dingen die hij of zij zal gaan doen. Wat ook kan helpen, is kennismaking met de kinderen met wie er iets samen wordt gedaan.
Tip 3: heb het ook over heimwee. Dit gespreksonderwerp hoeft niet te worden vermeden. Laat weten dat het gevoel van gemis van thuis erbij hoort, dat dit een normaal gevoel is, en dat er dingen aan gedaan kunnen worden die maken dat het kind zich weer fijn voelt.
Tip 4: maak iets waar ‘oplossingen voor heimwee’ in zitten. Doe daarin lege, al van een postzegel voorzien brieven, een foto van pappa en mamma of het huisdier, een lijst van dingen die hij/zij kan gaan doen als thuis wordt gemist. Op dat lijstje kan komen te staan:
- onderneem een activiteit, ga zwemmen of doe samen met iemand een spelletje;
- maak een lijstje met dingen van de dag die je lieten lachen;
- leer de namen uit het hoofd van drie nieuwe mensen, die die dag ontmoet werden;
- doe iets leuks en beschrijf dat in de brief aan de ouders;
- denk aan de leuke en goede dingen in de nieuwe omgeving.

Het voor de eerste keer het huis verlaten om ergens anders te zijn en slapen is een ontwikkelingstaak en zelfs een mijpaal binnen de ontwikkeling. Door aan het kind middelen te geven om deze taak op een goede manier te vervullen, is een goede stap gezet richting onafhankelijkheid.

(Preventing and treating homesickness. Pediatrics 2007 Jan;119 (1):192-201)

Relationele agressie draagt bij aan gevoelens van onveiligheid bij de leerlingen. Volgens onderzoekster dr. S Goldstein is het niet alleen de fysieke en verbale agressie, maar ook de relationele agressie, die van invloed is op de psychosociale ontwikkeling van kinderen.

Er is sprake van relationele agressie wanneer iemand een ander door manipulatief gedrag bewust kwetst. Voorbeelden hiervan zijn roddelen (leugens vertellen over de ander) en sociale uitsluiting (iemand negeren/buitensluiten).

Aan het onderzoek deden 1335 Amerikaanse leerlingen van 11 tot 19 jaar mee. Hen werd gevraagd hoe vaak zij de afgelopen maand slachtoffer dan wel getuige waren geweest van relationele agressie. Uit de resultaten blijkt dat leerlingen, die een hoge mate van relationele agressie ervaren, hun school als minder veilig classificeren en minder tevreden zijn over de sociale sfeer. Jongens blijken daarnaast ook vaker een wapen te dragen wanneer zij met dit soort agressie te maken hebben. Dit laatste geldt niet voor meisjes.

Relationele agressie heeft niet alleen een onveilig gevoel als resultaat. Uit eerder onderzoek blijkt het ook samen te hangen met sociale angst, eenzaamheid, depressie en middelengebruik. (Journal of Youth and Adolescence, 2007)

Teveel en langdurige stress bij de ouders verslechtert de immuniteit van hun kinderen, wat de kans op ziek worden verhoogt. Dat komt doordat het leven in stressvolle omstandigheden tot een slecht afweersysteem leidt. Dat zeggen Amerikaanse onderzoekers.

ziekkind.jpgZij volgden gedurende twee jaar een groep kinderen in de leeftijdsrange 5 tot 11 jaar. De data van de onderzoekers laten zien dat dat kinderen met gestreste ouders vaker koorts krijgen. Hun ‘natural killer cells’ hebben een verhoogde activiteit. Dat zijn cellen die belangrijk zijn bij de afweer van virusinfecties. De interactie tussen ouders en kind zou geen invloed hebben op de gezondheid van het kind, maar chronische stress heeft wel een duidelijk effect.
Al eerder bleek dat kinderen met aanleg voor astma en eczeem gevoelig zijn voor stress in het gezin. Ook was al bekend dat stress bij ouders ertoe leidt dat de kinderen problemen hebben op sociaal-emotioneel vlak.

(Archives of Pediatric and Adolescent Medicine)

Langdurig aan zware stress blootstaan kan de ontwikkeling van de hersenen bij kinderen belemmeren. Dat komt waarschijnlijk doordat bij kinderen met een posttraumatische stress-stoornis (PTST) het gehalte aan cortisol continu verhoogd is. Dat leidt tot remming van de groei van de hippocampus, een gebied in de hersenen dat belangrijk is voor het geheugen en emotieregulatie.

Dat komt naar voren uit een onderzoek door de medische devisie van de Stanford University bij 15 kinderen, die te maken hadden met PTST door een geschiedenis van lichamelijke, emotionele of seksuele mishandeling. Er is al bekend dat dergelijke ingrijpende gebeurtenissen de ontwikkeling op sociaal-emotioneel gebied in de weg staan. Het onderzoek van de Stanford wetenschappers besloeg kinderen van wie de leeftijd in de range van 7 tot 13 jaar lag. Ze maten de omvang van de hippocampus aan het begin en het eind van het onderzoek, dat anderhalf jaar duurde.
Na correctie voor geslacht en lichamelijke rijping bleek uit de data dat kinderen met ernstige PTST-symptomen een hoog cortisolgehalte hadden. Ook bleek de hippocampus relatief klein.
Dit gegeven kan verklaren waarom getraumatiseerde kinderen een grote kans lopen op het ontwikkelen van angsten en stemmingsproblemen, wanneer ze volwassen zijn. De cognitieve belemmeringen die de te kleine hippocampus veroorzaakt maken dat de kinderen niet optimaal kunnen profiteren van therapie.
Vooral kinderen die een genetische aanleg hebben voor angstklachten kunnen totaal niet omgaan met de langdurige stress, die een traumatische ervaring met zich meebrengt.
Het is voor het eerst dat een onderzoek gedaan wordt naar de hersenwerking bij getraumatiseerde kinderen. Tot nu toe is veel bekend geworden op basis van onderzoek bij dieren.

(Pediatrics, Vol. 119, pp. 509-516 maart 2007)

Het lijkt er wel eens op dat sommige kinderen gewoon ’stout’ worden geboren. Volgens nieuw onderzoek is dat geen rare gedachte. Uit een onderzoek onder tweelingen en hun kinderen is naar voren gekomen dat genen meer bepalend zijn voor het al dan niet voorkomen van gedragsproblemen dan altijd gedacht.

genen.jpgDe conclusies van het onderzoek zijn gebaseerd op de gegevens van ruim 1.000 tweelingen en hun kinderen. Bij een deel van die groep ging het om ééneïge tweelingen, die voor 100% overeenkomstig genetisch materiaal hebben. Dit soort onderzoek maakt het via statistische analyses mogelijk om de omgevingsfactoren los te koppelen en alleen het verband van de genen te zien.
Volgens de onderzoekers zijn er volwassenen en kinderen die steeds op zoek zijn naar nieuwe prikkels. Hun gedrag is een grote zoektocht naar sensatie, wat kan samengaan met asociaal gedrag.

Dit soort gedrag zou ten dele genetisch bepaald zijn, maar de rol van de omgeving moet natuurlijk niet uitgevlakt worden.
We weten al uit eerder onderzoek dat veelvuldige strijd tussen de ouders de kans op gedragsproblemen bij de kinderen flink verhoogt. Daarbij is eigenlijk niet bekend of de strijd rechtstreeks gekoppeld is aan de gedragsproblemen. Misschien is er wel een indirect verband. Immers, genen bepalen veel van het gedrag van de kinderen. Ouders die van nature snel strijden en over een opvliegend temperament beschikken, kunnen hun eigenschappen via genetisch materiaal doorgeven aan de kids. En evengoed geldt ook dat continue gestrijd tussen vader en moeder hoe dan ook ongunstig is voor de ontwikkeling van het kind die er getuige van is.
Bij een druk kind met een opvliegend karakter is kind- en/of ouderbegeleiding in sommige situaties (bij vragen en twijfels van de ouders) wenselijk om een negatieve ontwikkeling voor te zijn.

(Child Development)

Sommige kinderen worden geboren met een moeilijk temperament. Als ouders daar negatief op reageren, wordt een negatieve spiraal in gang gezet die leidt tot agressief gedrag. Door toch op een positieve manier met moeilijke kinderen om te gaan, is escalatie in de vorm van gedragsproblemen te voorkomen.

Dat stelt ontwikkelingspsycholoog Sannie Smeekens. Zij onderzocht welke factoren bepalend zijn bij het ontstaan van gedragsproblemen bij jonge kinderen en promoveert op dit onderzoek op 28 februari aan de Radboud Universiteit in Nijmegen.

gedrag.jpgVolgens Smeekens spelen ouders een belangrijke rol als het gaat om het ontstaan van agressief en destructief gedrag van jonge kinderen. Vooral negatieve interacties met de kinderen pakken verkeerd uit. Als voorbeelden hiervan worden genoemd: de kinderen afkraken, inperken of op alles wat gezegd wordt vijandig reageren.

Uit het onderzoek blijkt dat kinderen die voortdurend negatief worden benaderd een continu verhoogd cortisolgehalte hebben. En dat kan leiden tot achteruitgang van het immuunsysteem. Ook het geheugen van het kind zou minder goed functioneren door een continu teveel aan cortisol.
Niet alleen negatieve omgang tussen ouder en kind voorspelt gedragsproblemen op latere leeftijd. Ook een gebrek aan steun van de ouder door de partner en problemen in de gehechtheid tussen ouder en kind op éénjarige leeftijd blijken voorspellers van gedragsproblemen.

De resultaten houden een pleidooi in voor vroegtijdige ouderbegeleiding. Die zou ingezet moeten worden wanneer een kind met een moeilijk temperament geboren wordt of wanneer de opvoeding door de ouders als moeilijk wordt ervaren. Immers, als de ouders tijdig een andere opvoedingsstijl aanleren, kunnen latere gedragsproblemen worden voorkomen. Deze ouders zitten vaak vast in een bepaald gedragsrepertoire. Ze zijn onmachtig om het anders te doen, maar kunnen dat wel leren.

(www.ru.nl/persberichten)

Van diverse vormen van kindermishandeling is bekend welke negatieve gevolgen deze op lange termijn kunnen hebben. Dat geldt eigenlijk niet of nauwelijks voor schelden, de verbale vorm van geweld. De effecten daarvan op de psychische gezondheid zijn tot nu toe onbekend. Onderzoekers van de Harvard Medical School hebben daarom geprobeerd om via hun onderzoek te kijken hoe groot de impact is van verbaal geweld. Zij beschreven hun bevindingen in het American Journal of Psychiatry.

schelden.jpgDe onderzochte groep van 554 jongvolwassenen werd geworven via advertenties in de media. Aan hen
werd ten eerste gevraagd naar negatieve jeugdervaringen. Ten tweede maten de onderzoekers via een zelfrapportage-vragenlijst of zij problemen vertoonden. Er werd gevraagd naar angsten, gevoelens van depressie en ernstige vijandigheid en kenmerken van dissociatie.
Maar liefst 300 jongeren gaven aan een vorm van mishandeling te hebben meegemaakt. Bij 20 daarvan had de mishandeling langdurig en louter via woorden plaatsgevonden.

Ook kwamen diverse combinaties van vormen mishandeling voor, waardoor het via statistische analyses mogelijk werd om het effect van de afzonderlijke vormen van geweld en combinaties daarvan na te gaan.
Uit de data van de onderzochte groep blijkt dat het meemaken van alleen verbale agressie bijdraagt tot de ontwikkeling van angsten, depressies en dissociatie. Het effect van verbale agressie is zelfs gelijk aan het meemaken van huiselijk geweld of seksueel misbruik buiten het gezin. De combinatie van twee soorten geweld (zoals uitgescholden worden + meemaken van huiselijk geweld) leidt tot een extreem negatief effect dat groter is dan de som der delen. Die combinatie voorspelt angst, depressiviteit en vooral dissociatieve kenmerken op latere leeftijd. Dissociatie is te zien als een manier van beschermen tegen angstaanjagende indrukken.

De onderzoeker stelde al eerder op basis van hersenscans vast dat ongunstige ervaringen, zoals schelden en beledigen, een verwoestende werking hebben. De gevolgen op het functioneren van de hersenen zijn uiterst negatief. Zie dit artikel.

(Am J Psychiatry.2006; 163: 993-1000)

Bij kleuters met slaapproblemen komen gedragsproblemen vele malen vaker voor dan hun goed slapende leeftijdgenoten. Dat zeggen Australische wetenschappers op basis van hun onderzoek bij 4- en 5-jarige kinderen. Misschien heeft dat te maken met de prikkelbaarheid die het gevolg is van het slaaptekort.

slaapprobleem_kleuter.jpgMaar liefst een derde deel van kleuters heeft te maken met lichte tot ernstige slaapmoeilijkheden, schrijft Hiscock van het kinderziekenhuis dat het onderzoek uitvoerde. Die moeilijkheden hebben een negatief gevolg voor het functioneren op school, maar zijn doorgaans gemakkelijk om te buigen.
Al eerder bleek dat een dergelijk verband tussen slecht slapen en gedragsproblemen bij kinderen tussen de 6 en 12 jaar. Slaapproblemen leiden bij die groep ook tot relatieve stilstand van de leerresultaten.

Onder leiding van Hiscock richtte het onderzoek zich op bijna 5.000 gezinnen. Ongeveer één op de vijf kinderen had slaapproblemen. Van 14% van de totale groep kinderen kon gezegd worden dat ze ernstige slaapmoeilijkheden hadden. Zo was er bijvoorbeeld sprake van een hardnekkig patroon van ’s nachts wakker worden en moeizaam inslapen.
Een opmerkelijke uitkomst van het onderzoek is dat groep kinderen met ernstige slaapproblemen hun kans op een ADHD-diagnose met factor 12 verhoogd zagen. Slecht in slaap komen en vermoeidheid na het opstaan verhoogde de kans op gedragsproblemen het meest. Het onderzoek bracht geen verband aan het licht tussen slaapproblemen en de taal-spraakontwikkeling.
Slaapproblemen bij kleuters kunnen getackeld worden door een vast ritme van naar bed gaan in te voeren. Het bed zou alleen gebruikt moeten worden voor slapen, niet voor het spelen van activerende computerspelletjes. Slaperigheid ’s ochtends kan aangepakt worden door het kind meer uren te laten slapen, dus door de bedtijd te vervroegen.

(Pediatrics, Vol. 119 No. 1, januari 2007, pp. 86-93)

Jonge kinderen met gedragsproblemen worden al gauw bestempeld met de classificatie ‘ADHD’. Meestal terecht. Maar soms ook niet, want in een aantal gevallen kan het gaan om een (voorloper van de) bipolaire stoornis. Dat stellen onderzoekers van een kinderziekenhuis in Ohio op basis van kleinschalig onderzoek bij 26 kinderen.

26 jonge 3- tot 7-jarige kinderen, bij wie stemmings- en gedragsproblemen de voornaamste klacht vormden, vormden de onderzochte groep. Bij de meeste van hen werd gedacht aan ADHD als mogelijke oorzaak van de problemen. Na bestudering van de medische rapporten stelden Amerikaanse kinderpsychiaters een bipolaire stoornis bij meer dan 60% van die 26 kinderen vast. Bij één op de vijf werd voldaan aan de criteria van een stemmingsstoornis (niet anders omschreven). Voor bijna alle 26 kinderen gold ook een tweede probleem, zoals posttraumatische stress-stoornis en aanpassingsstoornis, waarvan agressief gedrag en verhoogde prikkelbaarheid de belangrijkste kenmerken zijn.
Normaal gesproken wordt in Nederland bij een kind van jonge leeftijd de manisch-depressieve stoornis of bipolaire stoornis zelden vastgesteld. In ons land is de visie dat de stoornis in de kinderleeftijd zeer zeldzaam is. Weliswaar is uit diverse onderzoeken naar voren gekomen dat een aantal van de volwassenen met een bipolaire stoornis reeds op de kinderleeftijd klachten vertoonde, maar op jonge leeftijd kunnen die klachten net zo goed op iets anders wijzen.

Er is nogal wat aan te merken op het Amerikaanse onderzoek. Het aantal onderzochte kinderen is bijvoorbeeld veel te klein. Ook is deze groep niet vergeleken met een andere groep, bij wie wel ADHD de hoofddiagnose vormt. Onduidelijk is ook met welke ‘bril’ de onderzoekers de dossier hebben bekeken.  Genoeg mankementen dus in de opzet. Toch is het wel goed om alert te zijn op welke gedrag de voorbode kan zijn voor de belemmerende manisch-depressieve stoornis.

(Journal of Affective Disorders, 2007; 97: 51–59)

Mensen die in de kinderleeftijd lichamelijk werden mishandeld, lopen een grote kans om op latere leeftijd last te krijgen van psychoses. Dit komt naar voren uit een onderzoek onder 5877 personen van 15 tot 54 jaar.

kindertelefoon.jpgLichamelijke mishandeling is een traumatische ervaring. De kans op een psychose is 2,6 keer zo groot bij iemand die op jonge leeftijd mishandeld werd. De vorm van mishandeling die het risico maximaal verhoogt is verkrachting. In dit geval is de kans met een factor 5,8 verhoogd, wat extreem is.
De analyse van gegevens leerde de onderzoekers dat hoe vaker het trauma heeft plaatsgevonden, hoe groter de kans op psychosen. Kindermishandeling lijkt een biologische kwetsbaarheid tot gevolg te hebben voor de ontwikkeling van psychotische symptomen.
Het onderzoeksteam onderstreept nu het belang van het vragen naar en bespreken van traumatische lichamelijke ervaringen in het verleden bij mensen die een beroep doen op de geestelijke gezondheidszorg. Als bekend is dat er mishandeling heeft gespeeld, is de behandeling waarschijnlijke effectiever dan bij onbekendheid van de ingrijpende negatieve ervaringen.

(Am J Psychiatry 164:166-169, January 2007)

In de kinderleeftijd gaan slaapproblemen en depressiviteit vaak hand in hand.

Uit een onderzoek, waarover gepubliceerd is in het vakblad Sleep, wordt afgeleid dat kinderen met slaapproblemen veel vaker dan gemiddeld last hebben van kenmerken van depressiviteit en angststoornissen. Het onderzoek besloeg 533 kinderen bij wie een stemmingstoornis was vastgesteld. Driekwart van die onderzochte groep had last van langdurige slaapmoeilijkheden. Vooral de depressieve meisjes hadden daarvan last.

De aard van de slaapproblemen kan behoorlijk verschillen van slapeloosheid tot teveel slapen en continue vermoeidheid. Niet kunnen slapen is de meest gehoorde klacht bij depressieve kinderen. De combinatie van slapeloosheid en voortdurende slaperigheid komt ook voor en dan met name bij de ernstige depressies.

De behandeling van de kinderen zou zich zeker ook moeten uitstrekken tot de slaapproblemen, zo adviseren de onderzoekers. Zij stellen dat kinderen in de basisschoolperiode ongeveer 10 tot 11 uur slaap per nacht nodig hebben. Kleuters zouden tussen de 11 en 13 uur in de nacht moeten slapen.

(Sleep, januari 2007)

Begin deze week werden de resultaten bekendgemaakt van ’s werelds grootste onderzoek naar zelfpijniging. De studie naar dit onderwerp is de grootste tot nu toe.

Eén op de tien meisjes van 15 á 16 jaar doet zichzelf elk jaar wel eens pijn en het probleem is dan ook groter dan tot nu toe werd aangenomen. In het onderzoek zijn meer dan 6000 scholieren in Engeland ondervraagd. Ook jongens doen wel eens aan zelfpijniging, maar dat percentage ligt op 3% tegenover 11% bij de meisjes. Voorgaande schattingen, die een stuk lager waren, werden door ziekenhuizen naar buiten gebracht. Maar zelfpijniging eindigt lang niet altijd in een ziekenhuisbezoek. Naast zelfpijniging (64,5%) komt ook zelfvergiftiging (31%) voor, bij de laatstgenoemde groep komt er vaak een ziekenhuisbezoek aan te pas. De vraag of er een relatie is met zelfpijniging en zelfmoord moet nog verder onderzocht worden, wel zijn de jonge adolescenten gevraagd hun motivatie voor de zelfpijniging te geven. (MedicalNewsToday)

Paniekstoornissen, fobieën, en andere irrationele angsten zouden tijdens de kinderjaren behandeld moeten worden zodat zij niet uitgroeien tot stoornissen tijdens volwassenheid, aldus de laatste uitgave van Harvard Mental Health Letter.



childrenanxiety

Diverse studies laten zien dat angststoornissen behoren tot de meest voorkomende psychische aandoeningen die zich voordoen tijdens de kinderjaren. In veel gevallen ervaren volwassenen met een angststoornis hun eerste symptomen al gedurende hun kinderjaren. Veelal zijn ouders zich niet bewust van het feit dat hun kinderen dergelijke symptomen kunnen ervaren. Doordat de hersenen en emoties vele veranderingen ondergaan tijdens de kinderjaren kan het moeilijk zijn om het verschil te onderscheiden tussen normale, leeftijdsgebonden angsten, zoals angst voor vreemden en angst in het donker, en serieuze angststoornissen.



Angststoornissen bij kinderen zijn vergelijkbaar met die van volwassenen.

Kinderen met een sociale fobie zijn overmatig verlegen en staan zeer angstig tegenover onbekende situaties en mensen. Zij zullen bang zijn om naar een verjaardagsfeestje te gaan of om een gesprek aan te gaan.

Kinderen met een generaliseerde angststoornis zullen dezelfde ongecontroleerde ongerustheid ervaren als volwassenen met eenzelfde aandoening.

Andere angststoornissen die bij kinderen voorkomen zijn obsessief-compulsieve stoornis, paniekstoornissen, verlatingsangst en PTSS (posttraumatische stressstoornis) als gevolg van kindermishandeling.

Kinderen kunnen de symptomen ofwel ontgroeien, of zij kunnen ervoor behandeld worden. Veelgebruikte behandelmethoden hiervoor zijn: speeltherapie en cognitieve-gedragstherapie.



Ouders hoeven nu niet direct bang te zijn dat hun verlegen kind zal opgroeien tot een zeer angstige volwassene. ‘Verlegen kinderen groeien lang niet altijd op tot angstige volwassenen en symptomen van PTSS kunnen vervagen tijdens het opgroeien’, aldus Harvard mental health experts, ‚Äòin dit veld van expertise is er gelukkig ruimte voor optimisme’.

Kinderen die tijdens de kleuterleeftijd last hebben van astma lopen verhoogde kans om tijdens de puberleeftijd teruggetrokken, angstig of depressief te worden.

Dat toont een Australisch onderzoek aan.



Artsen en andere hulpverleners zouden, zodra ze weten dat een kind astma heeft, extra aandacht moeten laten uitgaan naar de eerste tekenen van gedrags- en emotionele problemen, zo luidt het advies van de onderzoekers. Dan kan een en ander misschien nog voorkomen worden.



Het Australische onderzoeksteam volgde langere tijd ruim 5.000 kinderen. Bij de start vroeg men aan de ouders of de kinderen last hadden van astma of bronchitis. Ook werden vragen gesteld over het gedrag in de kleuterleeftijd.

Tijdens de puberteit laten kinderen die op jonge leeftijd astma hadden vooral de volgende kenmerken zien: huilbuien, minderwaardigheidsgevoelens, angst, tekort aan betrokkenheid op anderen en overdreven schuldgevoelens. De studie ontdekte geen samenhang tussen astma en de zogeheten ‘externaliserende gedragingen’, zoals woedeuitbarstingen en vernielzucht.

Waarom kinderen met astma vaker dan anderen depressief of angstig worden, is nog onbekend. Het zou kunnen dat een bepaalde interactie tussen de genen en omgevingsfactoren maakt dat sommige kinderen met astma psychische problemen ontwikkelen. Welke behandeling kinderen met astma vragen om de klachten op latere leeftijd voor te zijn, is helaas ook nog een vraagteken.

(Psychosomatic Medicine, juni 2005)

Niet alleen moeders, maar ook vaders kunnen na de geboorte van hun kind een postnatale depressie ontwikkelen. Uit onderzoek van de Universiteit van Oxford blijken kinderen, waarvan de vader een postnatale depressie had, meer kans te hebben op emotionele en gedragsproblemen.

Het is al langer bekend dat het hebben van een (postnataal) depressieve moeder invloed kan hebben op de kwaliteit van de verzorging van de baby. Dit kan leiden tot problemen in de sociale, gedrags-, cognitieve en fysieke ontwikkeling van het kind. Er is echter minder bekend over de invloed van een postnatale depressie bij de vader op de ontwikkeling van kinderen.

In het eerdergenoemde onderzoek van de Universiteit van Oxford is data gebruikt van 13.300 moeders en 12.800 vaders. Acht weken na de geboorte van hun zoon of dochter werden zij onderzocht op depressie. De vaders werden 21 maanden na de geboorte wederom getest. Daarnaast is gekeken naar de emotionele- en gedragsontwikkeling van de kinderen op de leeftijd van drieëneenhalf jaar.

Er blijkt een verband te bestaan tussen postnatale depressie bij vaders en emotionele- en gedragsproblemen bij kinderen, met name bij jongens. Dit verband blijft bestaan wanneer gecontroleerd wordt voor postnatale depressie bij de moeder en depressie bij de vader na afloop van de postnatale periode.

‘Het potentiële risico van een postnataal depressieve vader op de ontwikkeling van het kind, benadrukt het belang om ook aandacht te hebben voor mogelijke depressie bij vaders’, zo luidt de conclusie van de onderzoekers. (Healthday)

Wanneer een moeder zelfmoordgedachten heeft en/of een suïcidepoging heeft begaan, vergroot dit de kans dat haar kinderen hetzelfde zullen doen, zo blijkt uit Duits onderzoek.



Het team van onderzoekers volgde 933 adolescenten in de leeftijd van 14 tot 17 jaar en hun moeders. Tweemaal werd nagegaan in hoeverre er sprake was van algemene gezondheidsproblemen en werden de jongeren en hun moeders gevraagd hoe zij dachten over zelfmoord en werd geïnformeerd naar eventuele suïcidepogingen. Dit gebeurde aan het begin van het onderzoek en vervolgens nogmaals na een periode van 4 jaar.



Vergeleken met kinderen van moeders zonder suïcidaliteit, bleken kinderen wier moeders ooit een suïcidepoging hadden begaan vaker met zelfmoordgedachten rond te lopen en vaker zelf een suïcidepoging achter de rug te hebben. Tevens bleken deze suïcidepogingen bij hen op jongere leeftijd plaats te vinden. Ondanks het feit dat er geen gegevens over de vaders beschikbaar waren, verwachten de onderzoekers niet dat het verhoogde risico beperkt is tot suïcidepogingen bij moeders. (American Journal of Psychiatry, september 2005)

Zelfs matige ruzies tussen ouders kunnen een negatieve invloed hebben op de nachtrust van de kinderen en kunnen leiden tot negatieve gevoelens. Dit blijkt uit twee recente studies naar de effecten van conflicten tussen ouders.



Ook wanneer ouders elkaar negeren in de hoop dat de kinderen niets van de ruzies meekrijgen, kan zorgen voor verhoogde spanning bij de kinderen. In gezinnen waarbij sprake is van matige tot ernstige conflicten tussen ouders, blijken de kinderen gemiddeld 30 minuten korter te slapen. Deze verstoorde nachtrust kan zorgen voor prikkelbaarheid overdag.



Daarnaast hebben deze kinderen vaker last van emotionele problemen en blijken veel van de kinderen niet te wennen aan deze ruzies. Integendeel, kinderen die regelmatig geconfronteerd worden met hevige ruzies tussen de ouders worden hier juist gevoeliger voor en reageren sneller met spannings- en emotionele klachten.

Wanneer kinderen getuigen zijn van conflicten, laat ze dan ook getuigen zijn van de oplossing ervan, aldus de onderzoekers. (Child Development, januari/februari 2006)

coverDe laatste 20 jaar is de gemiddelde leeftijd waarop vrouwen hun eerste kind krijgen sterk gestegen. Dat blijkt uit de gegevens van Zweeds onderzoek, waaruit ook naar voren komt dat de leeftijd van de moeder van invloed is op de geestelijke gezondheid van het kind.



Een groep van 29.212 Zweedse kinderen, die als eerste kind geboren werden tussen 1973 en 1979, werden meerdere malen onderzocht tot 1987-2002. Uit de analyse blijkt dat kinderen van tienermoeders meer kans lopen om te overlijden door een suïcide, om opgenomen te worden in een ziekenhuis na een poging tot suïcide en om afhankelijk te zijn van alcohol en/of drugs. Kinderen van oudere moeders (>34 jaar) hadden meer kans op het ontwikkelen van schizofrenie.

(Psychological Medicine, februari 2006)

Uit een onderzoek van het Cincinatti Children’s Hospital Mediacal Centre is gebleken dat er een verband is tussen blootstelling aan tabaksrook en gedragsproblemen bij kinderen en tieners. Hoe meer tabaksrook in de omgeving was, hoe groter de problemen waren die het kind had.



Voor het onderzoek zijn 225 kinderen in de leeftijd van 5 tot en met 11 jaar met astma onderzocht. Volgens de onderzoeker en auteur van het onderzoek dr. Kimberly Yolton gelden de resultaten ook voor kinderen die geen astma hebben en moeilijk gedrag vertonen of depressie en angst ervaren.



De mate van blootstelling aan tabaksrook is gemeten aan de hand van het cotinine-niveau in het bloed. Cotinine komt in het lichaam tot stand zodra nicotine door het lichaam is afgebroken. De stof is terug te vinden in bloed, urine, speeksel en haar.

In dit onderzoek is een verband gevonden tussen het cotinineniveau en ‘acting-out gedrag’; het inhouden van dingen, wat vaak samengaat met angst en depressie; verhoging van gedrags- en schoolproblemen; en verminderd vermogen om aan te passen aan gedragsproblemen.



Gedragsproblemen bij kinderen zijn in de laatste 20 jaar gestegen van 7 naar 18 procent. Blootstelling aan sigarettenrook in de omgeving wordt steeds meer erkend als een risicofactor voor gedragsproblemen bij kinderen.

(Sciencedaily)

Leer-, ontwikkelings- en gedragsstoornissen komen bij kinderen meestal niet alleen. Veel kinderen zitten in de zogenaamde syndroommix. Dit boek geeft toegankelijke informatie over oorzaken, symptomen, wisselwerkingen tussen stoornissen en behandelmogelijkheden. Het biedt effectieve strategieën, praktijkvoorbeelden, praktische tips, uitgebreide informatie over medicatie en een gedragscontrolelijst.



De optimistische toon en de verhelderende uitleg van de belevingswereld van kinderen in de syndroommix maken van dit boek een waardevolle wegwijzer voor ouders, docenten, hulpverleners, therapeuten, psychiaters en iedereen die snel en beknopt advies wil.



Martin L. Kutscher, Kinderen in de syndroommix, Op weg naar een waardevol leven, Uitgeverij Nieuwezijds.



Kinderen wier moeder zowel depressief is als antisociaal gedrag vertoont, lopen meer risico zelf gedragsproblemen te ontwikkelen dan kinderen van depressieve moeders zonder antisociaal probleemgedrag.



De onderzoekers analyseerden gegevens van 1106 families. Hierbij werd gekeken naar de mate van depressiviteit en antisociaal gedrag bij de moeder en werd informatie over het gedrag van het kind (toen hij/zij tussen de vijf en zeven jaar oud was) via de moeder en leerkrachten verkregen.



In het geval er bij de moeder sprake is van zowel een depressie als antisociaal gedrag, laten kinderen significant meer antisociaal en probleemgedrag zien dan wanneer er alleen sprake is van depressiviteit bij de moeder. De eerste groep kinderen blijken vaker moeders met alcoholproblemen te hebben en krijgen vaker te maken met lichamelijke mishandeling en huiselijk geweld. Deze factoren zijn mogelijke verklaringen voor het verhoogde risico dat deze kinderen lopen om zelf probleemgedrag te ontwikkelen. (The American Journal of Psychiatry, juni 2006 )

Opgevoed worden door een drugsverslaafde vader blijkt schadelijker te zijn voor de mentale gezondheid van kinderen dan opgevoed worden door een vader die verslaafd is aan alcohol. Dit blijkt uit onderzoek van de Universiteit van Buffalo en de Old Dominion University.



Zo blijken vaders met een drugsverslaving hun kinderen vaker bloot te stellen aan ruzies, conflicten en fysiek geweld tussen de ouders. Daarnaast blijken kinderen met een aan drugs verslaafde vader significant meer last te hebben van piekeren, angst en depressie, en blijken significant vaker antisociaal gedrag te vertonen dan kinderen met een aan alcohol verslaafde vader of kinderen zonder een drugsverslaafde ouder.



Wat het effect is van een drugsverslaafde moeder is in deze studie niet onderzocht. Wel blijkt een moeder, zonder drugs- of alcoholverslaving, binnen een gezin met een drugsverslaafde vader een stabiliserende invloed te hebben. (PsycPort)

Bij het ontstaan en voortbestaan van agressief en antisociaal gedrag spelen zowel erfelijkheid als omgevingsfactoren een rol. Onderzoeker Irene van Bokhoven vond dat een lage huidgeleiding ‚Äì als gevolg van weinig zweet – bij jonge, gedragsgestoorde kinderen het antisociaal gedrag op oudere leeftijd goed kan voorspellen.

In haar proefschrift beschrijft zij neurobiologische kenmerken van agressie en hun rol bij agressief en antisociaal gedrag van opgroeiende kinderen.

Bij een groep kinderen mat van Bokhoven het stress-hormoon cortisol, de hartslagfrequentie en de huidgeleiding. Verder legde ze een aantal psychologische- en gezinskenmerken vast.

Hieruit bleek dat een lage elektrische huidgeleiding (die ontstaat door weinig zweet) samenhangt met een geringer behandeleffect. Kinderen met weinig zweet lieten meer antisociale problemen in de adolescentie zien.



Uit eerdere onderzoeken is een verband bekend tussen agressief gedrag en het stresshormoon cortisol en het geslachtshormoon testosteron. Volgens Van Bokhoven ligt het niet zo simpel dat veel stress en testosteron antisociaal gedrag uitlokken.

(NIWI)

BEIJING- Tenminste 30 miljoen Chinese jongeren onder de 17 jaar lijden aan psychische of aan gedrag gerelateerde problemen en deze trent vertoont een opwaardse lijn, aldus het Chinese Ministerie voor Gezondheid.

De geestelijke gezondheid van onze kinderen en jongeren is inderdaad zorgwekkend. Tevens is de kans dat deze jongeren problemen met drank, drugs en criminaliteit gaan ontwikkelen, vijf tot tien maal groter dan bij degenen zonder deze psychische problemen, stond er Maandag j.l. te lezen op de website van het Ministerie van Gezondheid. Onderzoek in 22 Chinese provincies en steden wees uit dat 12.9 procent van de kinderen en teenagers lijden aan gedragsproblemen en dat tot 25 procent van de studenten lijden aan angsten, depressie en andere mentale problemen, aldus het Xinhua nieuwsagentschap.

Volgens het Ministerie zijn er op dit moment 16 miljoen psychische patiënten in China. De Chinese overheid wil de voorlichting aan leraren en doktoren m.b.t. psychische gezondheid gaan verbeteren, alsmede hulpverlening aan studenten gaan bieden, aldus Xinhua. Op dit moment zijn er weinig mogelijkheden op hulp beschikbaar voor Chinezen met psychische ziekten- een gezondheidsprobleem waar weinig aandacht aan is geschonken, voornamelijk wegens onbekendheid met de problematiek. (Bron: Yahoo! News 18 Okt. 2004)

Parijs- Onderzoek wijst uit, dat kinderen van oudere vaders meer kans hebben om op latere leeftijd schizofrenie te ontwikkelen. Doktoren in Zweden en Engeland ontdekten het statistische risico na het bestuderen van de medische geschiedenis van 712.000 mensen die tussen 1973 en 1980 in Zweden zijn geboren. De doktoren identificeerden 639 mensen die tussen 1989 en 2001 wegens schizofrenie waren opgenomen in een ziekenhuis. Na rekening gehouden te hebben met de sociaal economische achtergrond van de patiënten, familie historie m.b.t. psychose, vroegtijdige dood van de ouders en andere factoren die van invloed konden zijn op de uitkomst, vonden de onderzoekers een sterk statistisch verband tussen schizofrenie en de leeftijd van hun vader.

Meer dan 15 procent van de gevallen kan te wijten zijn geweest aan het feit dat de patiënt een vader had die ouder was dan 30 jaar, aldus de onderzoekers. Het risico op schizofrenie was statistisch klein, maar liep geleidelijk op naarmate de vader ouder was tijdens de geboorte van zijn kind. Schizofrenie is een ernstige ziekte van de hersenen, gekenmerkt door hallucinaties en zinsbegoochelingen waardoor er een vervormd beeld van de werkelijkheid ontstaat. Het is niet, zoals vaak wordt gedacht, een Jekyll-and-Hyde gelijkende gespleten persoonlijkheid. (Bron: Yahoo! News/22 Okt. 2004)

Ruilen kinderen slaap in voor wat extra tijd achter de computer of voor de tv?

Om dat te weten te komen bestudeerden Vlaamse onderzoekers ruim 2.500 kinderen in groepen 1 en 4. De kinderen werd gevraagd hoeveel tijd ze per dag tv keken, computerspelletjes speelden of aan het surfen/chatten waren op internet. Ook werd gevraagd naar de slaaptijden en de ervaren vermoeidheid.

Daaruit bleek dat kinderen die een tv op de slaapkamer hebben staan elke nacht later gaan slapen dan gemiddeld en tijdens weekenden later opstaan. Hetzelfde gaat op voor kinderen met een spelcomputer op de kamer en voor kinderen die op de slaapkamer toegang hebben tot het internet. De kinderen uit deze groepen voelden zich allemaal moe.

De onderzoekers concluderen dat de bezorgdheid over het excessief gebruik van media terecht is. Door meer structuur in de dag aan te brengen kan dit probleem misschien worden omgebogen,.

(The Journal Sleep, 15 feb. 2004).

Kinderen die in één-ouder-gezinnen opgroeien lopen een twee keer zo grote kans als hun leeftijdgenoten om later ernstige psychiatrische problemen te krijgen of verslaafd te raken.

Dat blijkt uit een Zweeds onderzoek waarin één miljoen kinderen gedurende tien jaar werden gevolgd. Ruim 65.000 van die kinderen leefden met één ouder. Bij deze groep kinderen bleken dus op latere leeftijd meer psychiatrie voortgekomen, zoals: ernstige depressies en schizofrenie, zelfmoordgedachten en kans op een aan alcohol gerelateerde ziekte. Meisjes hebben drie keer zo grote kans om verslaafd raken aan drugs als ze in een één-ouder-gezin wonen, jongens een vier keer zo grote kans.

Nu is dus duidelijk dat kinderen van gescheiden ouders meer problemen krijgen, maar de vraag hoe dat komt is nog niet beantwoord.

Sommigen zeggen dat men het antwoord moet zoeken in de richting van financiële zorgen van de één-ouder-gezinnen. Geldgebrek is een factor die waarschijnlijk meespeelt, maar in de laatste twintig jaar is armoede vrijwel overal in Europa afgenomen, in tegenstelling tot het aantal psychiatrische problemen.

Het kan zijn dat een genetische factor meespeelt. Mensen die snel geïrriteerd raken, scheiden eerder dan anderen. Hun kinderen zijn vaker dan gemiddeld prikkelbaar, wat losstaat van het feit of ze nu wel of niet in een één-ouder of in een volledig samengesteld gezin wonen. Een prikkelbare stemming verhoogt de kans op sociale problemen.

Hoe het ook zit, er is veel discussie ontstaan naar aanleiding van het onderzoek waarover gepubliceerd werd in het medisch tijdschrift The Lancet.

Pubers hebben met onderzoek van de Northwestern University een perfect excuus in handen gekregen om in het weekend een gat in de dag te slapen.

Uit het onderzoek wordt afgeleid dat pubers het uitslapen gebruiken om gemiste slaap tijdens de week in te halen. Doen ze dat niet, dan zouden door het chronisch slaaptekort gemakkelijker leermoeilijkheden en gedragsproblemen kunnen ontstaan.

In het onderzoek naar het slaappatroon van 729 tieners in de leeftijd van 12 tot 17 jaar gekeken. Het ging daarbij wel om adolescenten die met justitie in aanraking waren gekomen. De oudere pubers bleken later naar bed te gaan en later op te staan dan de jongere pubers. Ze bleken allemaal lang te slapen: gemiddeld 8 en een halfuur doordeweeks en 9 en een halfuur tijdens de weekeinden.

Volgens de onderzoeksleider komen veel adolescenten slaap tekort tijdens de schoolweek. Ze pleit ervoor om de scholen ’s ochtends wat later op de dag te laten beginnen.

Volgens critici kunnen de onderzoeksresultaten niet zondermeer vertaald worden naar ‘alle pubers’ en is herhaald onderzoek nodig. Het aantal onderzochte pubers is indrukwekkend, maar ze hadden allemaal een probleem gehad bij het zich houden aan de wet.

American Academy of Neurology)

Moeders die tijdens zwangerschap veel angst doormaken lopen grotere kans op het krijgen van een kind dat op 4-jarige leeftijd gedragsproblematiek heeft. Dat blijkt uit een onderzoek door de Institute of Psychiatry in London.

Uit het onderzoek blijkt vooral angst tussen de 18 tot 32 weken zwangerschap problemen te geven. De kans op gedragsproblemen verdubbelt.

Onderzoekers denken dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen de stemming van de moeder en de hersenontwikkeling van de foetus. Reden genoeg om eventuele angst en stemmingsproblemen bij een vrouw in verwachting weg te nemen.

(British Journal of Psychiatry 180: 502-508)

Jarenlang proberen psychologen te verklaren hoe het kan dat jonge kinderen die mishandeld zijn zo enorm vaak uitvaren tegen hun leeftijdgenoten en leraren. Tot nu toe zonder veel succes.

Een onderzoek geeft een mogelijke uitleg. Het laat zien dat mishandelde kinderen een grote mate van gevoeligheid hebben ontwikkeld als het gaat om detectie van boosheid in gezichten. Dat komt door de sterke gerichtheid op mogelijk fysiek geweld thuis.

De hersenen leren om bedreigingen waar te nemen. Overgevoeligheid kan echter tegendraads werken. Kinderen kunnen boosheid waarnemen, terwijl daarvan geen sprake is.

Uit andere onderzoeken blijkt dat misbruikte kinderen een hogere kans hebben op drugsmisbruik en onderpresteren.

(Proceedings of the National Academy of Sciences)

Ongeveer 60% van de mensen zou een tekort aan omega-3-vetzuren hebben. Dat is zorgelijk, want dit zijn de vetten die nodig zijn voor een goede hersenfunctie.

Omdat ook andere organen omega-3-vetzuren nodig hebben, kun je tekorten herkennen aan huidproblemen: eczeem, droge huid, rood, slechte wondgenezing en ook aan steeds terugkomende ontstekingen.



DHA nodig voor serotonine-receptor

Eén van de omega-3-vetzuren noemen we DHA. Die stof is nodig om de dopamine en serotonine-receptoren te onderhouden, die betrokken zijn bij regulatie van het gedrag en de stemming. Problemen op dit vlak kunnen leiden tot ADHD en stemmingsstoornissen. Als je onvoldoende DHA in je bloed hebt, worden de door de mens gemaakte transvetzuren als opbouwmateriaal voor de receptoren gebruikt. Gevolg is dat de dopamine-receptoren vervormd raken, omdat transvetzuren een andere vorm hebben als DHA. Gebeurt dat jaar na jaar, dan ontwikkelt zich langzaam een stemmingsstoornis, zoals depressiviteit.



Leren bemoeilijkt door tekort aan DHA

Het probleem zou nog het ergst zijn m.b.t. de hersenen van kinderen, omdat die volop in ontwikkeling zijn.

Bij het leren moeten de neuronen in de hersenen nieuwe paden maken. Daarvoor is DHA nodig. De meeste kinderen hebben daar echter tekort aan. In dat geval gebruiken de hersenen andere soorten vetten met verkeerde vorm, waardoor het netwerk van neuronen zich langzamer ontwikkelt. Gevolg: leer- en gedragsproblemen.



Bronnen van omega-3-vetzuren

Visolie (waaronder levertraan), groene bladgroenten, sommige zaden en noten (walnoten), vette vis en wild zijn rijk aan omega-3-vetzuren. Koeien, kippen en andere dieren hebben een hoger gehalte aan omega-3, als ze vrij hebben kunnen scharrelen, waardoor ze meer groene groenten binnen kregen. Je zou als supplement capsules met visolie kunnen innemen. Standaard bevatten die 180 mg EPA en 120 mg DHA. Je moet ongeveer één capsule nemen voor elke tien pond aan lichaamsgewicht en dan bij voorkeur verspreid over twee doseringen.

(Bron: Current Atheroscler Rep. Mar;3(2):174-9)

De uitspraak dat verwende kinderen later als volwassenen succesvoller in het leven staan, is afkomstig van psycholoog Salomoni uit Italië.

Meer dan 300 managers (35-50 jr) werden in haar onderzoek geïnterviewd.

66% van hen gaf aan dat hun ouders hun hadden verwend en slechts 22% had een strenge opvoeding genoten. Hiermee wordt de opvatting dat ‘een strenge opvoeding de sleutel is voor succes later’ aan de kant geschoven.

De verklaring is dat verwende kinderen misschien optimistischer zijn en minder gauw faalangstig worden. Er is nog niet dieper ingegaan op de vraag of het succes van verwende mensen misschien voortkomt uit het feit dat ze minder rekening houden met de gevoelens van anderen. Misschien zijn ze vaker via ellebogenwerk de ladder opgeklommen.

(Bron: die Welt)

Angstige kinderen lopen er grote kans op om op te groeien als migrainepatiënten. Dat zeggen wetenschappers uit Nieuw Zeeland. Migraine hangt namelijk samen met het zenuwsysteem dat ongewoon gevoelig is voor omgevingsinvloeden. Ook blijkt uit het onderzoek dat de kans om migraine te krijgen twee keer zo groot is, als je moeder er ook aan leed.

(Daily Express)

Persbureau Reuters rapporteert over een onderzoek waaruit blijkt dat baby’s met zwaar ondergewicht die overleven tot in hun volwassenheid veel problemen blijven ondervinden.



Wetenschappers volgden 242 baby’s die minder dan 3 pond wogen bij de geboorte totdat ze volwassen waren. Ze bleken over het algemeen op te groeien met een lager IQ, haalden slechtere schoolcijfers en waren vaker blind of doof dan zwaardere baby’s.

Het goede nieuws is dat 51% van deze mensen een IQ had die binnen de grenzen van het gemiddelde ligt, 74% voltooide de opleiding aan het Voortgezet Onderwijs en 25% ging daarna naar een 4-jarige beroepsopleiding.

Verder laat het onderzoek zien dat mensen die met zwaar ondergewicht geboren worden minder vaak overgegaan tot risicovol gedrag, zoals gebruik van drugs en alcoholverslaving.

(Bron: New England’s Journal of Medicine)

In het blad Medical Hypotheses bracht een onderzoeker van Pantox Labotories het idee naar voren dat alcohol zorgt voor betere spiergroei. Het azijnzuur dat ontstaat als alcohol verbrand wordt stimuleert de aanmaak van AMP, een molecuul dat energie geeft. AMP is stuurt het enzym kinase aan, dat eiwitten aan elkaar last. Meer kinase betekent daardoor meer complexe eiwitten die actief zijn rond de insulinereceptor. Hopenlijk is dit nog te volgen…


Het komt erop neer dat alcohol de gevoeligheid van spiercellen voor insuline verhoogt en dat is gunstig.

Dit blijft dus alleen maar een veronderstelling.


In onderzoek is in ieder geval wel aangetoond dat matig alcoholgebruik bescherming geeft tegen hart- en vaatziekten, doordat alcohol de aanmaak van het ‘goede cholesterol’, het HDL, verhoogt. Naarmate je meer HDL (transport-eiwitten) in je bloed hebt zitten, en minder LDL, heb je minder kans op hart- en vaatziekten

Een glaasje bier of wijn drinken vermindert daardoor de kans op overlijden door kransvatziekte, zo blijkt uit een Frans onderzoek.


Wijn bevat polyfenolen. Die kunnen de cholesterol-transportlichamen in het lichaam beschermen tegen oxidatie. Dat betekent: kankerremmende capaciteiten. Die bescherming betekent ook dat verdikking van de vaatwanden (dat leidt tot hoge bloeddruk)voorkomen wordt.


Groot nadeel van alcohol is dat het de hormoonhuishouding in de war kan schoppen bij zowel mannen als vrouwen. Doordat de lever alle aandacht moet richten op het ontgiftigen van de alcohol wordt er veel minder oestrogeen in het mannenlichaam afgebroken, waardoor het testosteron afneemt.