ADHD

You are currently browsing the archive for the ADHD category.

Niet alleen genetische aanleg, maar ook biologische en gezinsfactoren bepalen of iemand ADHD ontwikkelt. Uit nieuwe gegevens blijkt dat een hoog geboortegewicht, roken tijdens de zwangerschap en complicaties tijdens zwangerschap en bevalling tot gevolg kunnen hebben dat ADHD-kenmerken ontstaan.

Tot deze conclusies komt Cathelijne Buschgens op basis van haar onderzoek aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Biologische factoren vergroten de kans op ADHD, zo stelt zij. Ook tekort aan warmte is funest, net zoals overbescherming of afwijzende opvoeding. De onderzoeker vindt het van belang om het hele gezin te betrekken bij de behandeling van een kind met ADHD, omdat ADHD de onderlinge relaties tussen ouders en kinderen en tussen broers en zussen beïnvloedt.

(Bericht UMC St Radboud)

Ook bij simpele beslissingen kunnen jongeren met ADHD moeilijk een balans vinden tussen snelheid en nauwkeurigheid. Dat toont Martijn Mulder aan in promotieonderzoek.

In Mulders onderzoek kregen jongeren met en zonder ADHD op een scherm een ‘wolk’ met bewegende stippen te zien. Ze moesten aangeven welke richting de stippen op bewogen. Mulder maakte het de proefpersonen moeilijk door slechts een deel van de stippen één kant op te laten bewegen terwijl de rest van de stippen willekeurig bewoog.
Jongeren met ADHD vinden dit een lastige taak en presteren slechter naarmate hun hyperactiviteit erger is. Volgens Mulder wil deze uitkomst zeggen dat hersenprocessen die te maken hebben met het waarnemen van de omgeving een belangrijkere rol bij ADHD spelen dan tot toe werd aangenomen.

(proefschrift: ‘Cognitive control and decision making in ADHD’, universiteit Utrecht)

Aan PDD-NOS en ADHD worden verschillende gedragskenmerken toegeschreven. Toch zijn deze stoornissen klinisch nauwelijks van elkaar te onderscheiden. Dat stelt Karin Gomaris in haar promotieonderzoek.

Zij onderzocht verschillen in de informatieverwerking van kinderen met PDD-NOS en ADHD. Ze vroeg kinderen computertaken uit te voeren, terwijl er een EEG van hun hersenen werd gemaakt. Uit de resultaten bleek dat er in die opzichten tussen de kinderen met PDD-NOS en ADHD geen significante verschillen bestaan.

Bron: Rijksuniversiteit Groningen

In een experimentele testsituatie is het lastig het verschil in afleidbaarheid vast te stellen tussen iemand met ADHD en een gemiddeld persoon. Dit stelt Rosa van Mourik op basis van haar onderzoek. Zij promoveert op 16 februari aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

Mensen met ADHD zijn vaak impulsief, beweeglijk en snel afgeleid. In de afleidingsexperimenten van Van Mourik reageerden de hersenen van kinderen met ADHD iets anders dan die van andere kinderen, maar ze presteerden niet slechter. Van Mourik pleit er nu voor om naast in onderzoeksituatie ook in het dagelijks leven te testen hoe makkelijk de kinderen zich laten afleiden. Er zijn overigens wel tests voor volgehouden aandacht bij saaie monotone, waarop kinderen met ADHD wel veel lagere scores behalen dan de meeste andere kinderen.

Kinderen met ADHD hebben er baat bij als hun ouders een oudertraining volgen. Die maakt dat de kinderen minder ongehoorzaam of opstandig worden en minder last hebben hebben van driftbuien en angst- en stemmingsklachten. Dat blijkt uit het proefschrift ‘Behavioral parent training for children with ADHD’, waarop Barbara van den Hoofdakker op 7 oktober promoveert aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Zij onderzocht 94 kinderen van 4 tot 12 jaar met ADHD en gedragsproblemen. De ouders van de helft van deze kinderen kregen alleen reguliere zorg; de ouders van de andere helft kregen daar bovenop een oudertraining. Die bestond uit twaalf groepssessies van twee uur, waarin de ouders onder meer leerden hoe ze het dagelijkse leven van hun kind kunnen structureren, hoe ze hun kinderen kunnen instrueren en hoe ze gewenst gedrag kunnen belonen.

(Bron: Rijksuniversiteit Groningen)

Kinderen met ADHD reageren anders op het krijgen van feedback dan kinderen met een autistische stoornis en kinderen zonder ontwikkelingsstoornis. Dat stelt Yvonne Groen, die op dit onderwerp is gepromoveerd aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zij analyseerde de reacties van de hersenen en de hartslag, terwijl kinderen de feedback op hun antwoorden verwerkten.

Tijdens het uitvoeren van een taak pasten de kinderen met ADHD hun gedrag in mindere mate aan als zij feedback kregen dan andere kinderen. Daaruit concludeert Groen dat zij de gevolgen van hun eigen gedrag niet zo goed kunnen voorspellen. Dit maakt hen voor het aanpassen van gedrag afhankelijk van reacties van buitenaf. Ritalin vermindert dit probleem. Kinderen met ADHD die Ritalin slikten, bleken minder afhankelijk van feedback.
Uit de resultaten blijkt verder dat kinderen met ADHD of een autistische stoornis minder emotioneel op negatieve feedback reageren dan kinderen zonder ontwikkelingsstoornis.

Bron: Rijksuniversiteit Groningen

Pubers met AD(H)D kunnen zich slecht concentreren. Ze houden niet van saaie dingen en overzien niet hoe lang ze nodig hebben om lastige dingen te leren. Kortom; voor een puber met AD(H)D kan het heel lastig zijn om huiswerk goed te maken en/of leren. Veel ouders vragen zich af wat zij daaraan kunnen doen.

Er zijn ouders die zelf werkstukken gaan maken voor hun kind. Anderen proberen hun kind met een strak schema achter de broer of rok te zitten. En weer anderen gooien moedeloos de handdoek in de ring en hopen dat hun lastige puber later het licht zal zien.

jongen maakt huiswerkGeef de moed echter niet op als ouders. Er is echt wel iets te doen aan de worsteling van de chaotische puber met saaie lesstof. Eigenlijk is de oplossing best simpel, maar wel arbeidsintensief. Maak elke vrijdag een planning van huiswerk maken en leren voor het komende weekend. Doe dat het liefst zo precies mogelijk met tijden erbij en welke dingen moeten worden gedaan. Zorg dat er ruimte is voor een kwartiertje ontspanning na ongeveer drie kwartier werken. Zorg dat proefwerkstof als eerste wordt gedaan, zodat die stof nog enkele malen kan worden herhaald.
Ga als uw puber aan het werk is, zelf ook aan het werk. Neem samen plaats aan een tafel met voldoende ruimte en rust. Zorg dat u ziet wat uw puber doet. Vertel hem liefdevol dat hij/zij moet doorwerken als de aandacht al weer enkele minuten is verslapt.
Leer uw puber dat vragen stellen mag. En zorg dat u de vragen serieus neemt. Probeer soms met beelden de saaie lesstof te verfraaien. Zo bestaan er op Yutube allerlei mooie filmpjes over een scale aan onderwerpen. Het is belangrijk dat u zelf ook rustig aan het werk bent, maar wel stoorbaar. Dus zelf steeds opstaan, of erg zuchten vanwege een moeilijke taak, of te veel ritselen met de krant is af te raden.

Na de geplande uren huiswerk maken heeft u allebei zeker een beloning verdiend. Besteed daar echt even aandacht aan. Geef uw puber een dik compliment voor de inspanning opgeluistert met bijvoorbeeld een lekker stuk appeltaart. Gun uw kind daarna zijn rust. Dus even niet meer zeuren over school. Er staat immers al weer een tijd in het rooster voor een volgende studiesessie.

Het maken van huiswerk of een belangrijk proefwerk is voor kinderen met ADHD een lastige opgave. Een wandeling door het park voorafgaand aan de cognitieve inspanning verbetert hun concentratie. Dit blijkt uit een onderzoek dat gedaan is aan de universiteit van Illinois.

Uit het onderzoek komt naar voren dat kinderen met ADHD zich na een wandeling van 20 minuten door een park beter kunnen concentreren dan na een wandeling door een stad of woonwijk. Alle kinderen maakten (in verschillende volgorden) wandelingen in de drie verschillende settings. Na het maken van iedere wandeling maakten de kinderen een test. Hierbij werd door een onderzoeker een reeks getallen genoemd, die het kind vervolgens in omgekeerde volgorde moest herhalen.

Na vergelijking van de prestaties blijkt dat de kinderen het beste resultaat behaalden na een wandeling in het park. De reden waarom een wandeling in het park (vergeleken met een wandeling door de stad of woonwijk) het grootste voordeel oplevert voor de concentratie is nog niet duidelijk. Deze resultaten zijn echter wel reden om verder onderzoek te doen naar een mogelijk verband tussen het doorbrengen van tijd in de natuur en het verbeteren van de concentratie bij kinderen met ADHD. (Journal of Attention Disorders)

Verandering in het voedingspatroon kan de symptomen van ADHD bij kinderen mogelijk verminderen. Die conclusie komt naar voren uit een onderzoek van het ADHD Research Centrum, de universiteiten van Wageningen en Nijmegen en twee ziekenhuizen.

ADHD en voedingHet onderzoek valt wel onder de categorie kleinschalig, daar het werd uitgevoerd bij een kleine groep van 27 kinderen. Deze waren tussen de 3 tot 8 jaar oud waren en voldeden aan de diagnostische criteria voor ADHD. 15 van hen mochten vijf weken lang alleen rijst, kalkoen, lam, groeten, fruit, margarine, plantaardige olie, thee, perensap en water consumeren. De overige 12 kinderen vormden de controlegroep, die bleef eten zoals ze gewend waren. Zowel voor, tijdens als na de proef vulden hun ouders en leerkrachten vragenlijsten in over het gedrag van het kind. Uit de analyse van de gegevens maken de onderzoekers op dat de kinderen die het dieet volgden zich na de proef beter konden concentreren. Ook vertoonden ze minder hyperactief en impulsief gedrag.
Over het onderzoek is gepubliceerd in ´European Child and Adolescent Psychiatry’.

Concerta zou effectief zijn als het gaat om het verhelpen van kenmerken van ADHD bij volwassenen. Dit positieve bericht komt van onderzoekers van Johnson & Johnson, die dit middel in de VS distribueert. Het gaat om de eerste bevindingen van een nog voortdurend onderzoek waarbij de werking van dit medicijn is vergeleken met die van een neppil.

concerta-adhd.jpgTot nu toe is er nog weinig bekend over de behandeling met behulp van medicijnen bij volwassenen met ADHD-klachten. De totale onderzochte groep personen bestond uit 200 mensen tussen de 18 en 65 jaar oud bij wie ADHD is vastgesteld. Ze werden ingedeeld in twee groepen. De ene groep kreeg gedurende zeven weken Concerta, de andere een placebo. De behandelde groep kreeg overigens dit middel in een oplopende dosering met een maximum van 67 milligram per dag.
84% van de mensen in de Concertagroep gaf aan last te hebben van bijwerkingen. Datzelfde gold voor maar liefst 64% van de placebogroep. Het vaakst werd geklaagd over verminderde eetlust, hoofdpijn en een droge mond. De Concertagroep rapporteerde een forse afname van klachten over concentratieproblemen en rusteloosheid op een vragenlijst.
Uit onderzoek blijkt dat de veiligheid van Concerta vergelijkbaar is met die van het al
lang bestaande en bekende kortwerkende methylfenidaat (Ritalin). Er zijn geen andere of onverwachte
bijwerkingen opgetreden.

(McNeil Pediatrics, 26-10-2007)

Het wordt al jarenlang vermoed, maar er is nog niet echt gefundeerd bewijs geleverd dat kleurstoffen de oorzaak vormen van druk gedrag. Tot nu toe. Britse onderzoekers hebben met hun data laten zien dat bepaalde kleurstoffen en conserveermiddelen inderdaad het gedrag van kinderen in negatieve zin beïnvloeden. Dat lichten ze toe in de Lancet.

kleurstof.jpgKleurstoffen, natriumbenzoaat of een combinatie daarvan vergrootten in een (placebogecontroleerd) onderzoek de hyperactiviteit bij kinderen. Er deden 153 kinderen van drie jaar en 144 kinderen van acht of negen mee aan het onderzoek, dat qua opzet aan alle voorwaarden voldoet om het keurmerk ‘goed’ te kunnen krijgen.
De kinderen kregen een drank met natriumbenzoaat en een van twee mengsels met kleurstoffen, òf een placebo (= drankje zonder kleurstoffen en/of natriumbenzoaat). Leraren en de ouders beoordeelden via vragenlijsten het gedrag van de kinderen, maar wisten niet welk drankje de kinderen hadden gekregen. De kinderen zelf wisten dat ook niet. Uit de gegevens blijkt dat de ouders en leerkrachten meer overbeweeglijkheid zagen bij de kinderen wanneer deze natriumbenzoaat, een mengsels met kleurstoffen, of beide hadden gekregen.

Onder andere is goed van dit onderzoek dat de kinderen die eraan deelnamen niet gekozen waren uit een groep hyperactieve kinderen. Ze waren afkomstig uit de gewone bevolking. Dat maakt de uitkomsten volgens de onderzoekers veelzeggend. Verrassend is dat vooral bijna alle kinderen – ook de rustige – gevoelig blijken voor kunstmatige kleurstoffen en bepaalde conserveermiddelen.
Wanneer ADHD is vastgesteld, werkt medicatie beter om de kenmerken van hyperactiviteit en impulsiviteit te verminderen dan verandering van het voedingspatroon. Toch kan het ook bij ADHD’ers geen kwaad om daarnaast ook nog eens te letten op de inname van kleurstoffen.

(The Lancet, 1 augustus 2007)

Een Amerikaans onderzoek onderzocht het gebruik van medicijnen bij kinderen met ADHD en de gevolgen op vlak van hun schoolprestaties.

Dr. William Barbaresi, een kinderarts van de Kliniek van Mayo en hoofd van de studie, onderzocht met zijn team 370 kinderen, meestal jongens, die ADHD hadden, en vergeleken hen op basis van leeftijd en geslacht met 740 kinderen die geen ADHD hadden. Beide groepen werden gedurende 18 jaar gevolgd.

De onderzoekers ontdekten dat de kinderen met ADHD die niet met medicijnen werden behandeld lagere leesprestaties hadden, vaker afwezig waren van school en vaker voortijdig afhaakten van school dan kinderen zonder ADHD.
De kinderen met ADHD die wél behandeld werden met medicijnen vertoonden betere leesprestaties en vermindering van schoolweigering.
“Dat de behandeling met stimulansmedicijnen met verbetering op lange termijn van schoolresultaten wordt geassocieerd is significant,” zet Barbaresi. “Eerder, was er bewijsmateriaal dat de behandeling met stimulansmedicijnen scoolprestaties op korte termijn verbeterde, maar nu is er ook duidelijk bewijsmateriaal dat dit de resultaten op lange termijn verzekert.

(Bron: www.sciencedaily.com)

Ook bij volwassenen komt de gedragsstoornis ADHD voor, maar dit wordt vaak niet als zodanig herkend. Helaas wordt daarom weinig gekozen voor behandelingen die goed helpen.

Dat stelt Sandra Kooij die vandaag promoveert op onderzoek dat zij de afgelopen jaren naar ADHD bij volwassenen heeft gedaan. Ongeveer twee procent van de volwassenen heeft ADHD, zo blijkt uit haar onderzoek. Zij zijn meestal druk en kunnen niet goed plannen. Daardoor hebben zij hun opleiding vaak niet afgemaakt, wat tot laag geschoold werk leidt. Doordat ze een grote behoefte aan prikkels hebben, is de ADHD’er meer dan gemiddeld betrokken bij ongevallen en er is vaak sprake van verslavingsproblematiek. Veel van hen lopen rond met een diagnose ‘antisociale persoonlijkheid’ of ‘borderline persoonlijkheid’. Dat is ongunstig voor de patiënt, want deze aandoeningen zijn, in vergelijking met ADHD, moeilijker te behandelen.

Behandeling heeft een gunstig effect heeft op de volwassene met ADHD. Daarbij gaat het om voorlichting, medicijnen en coaching. uit het onderzoek blijkt dat vooral het middel Methylfenidaat (= Ritalin) bij volwassen ADHD’ers goed werkt. Omdat het stipt opt tijd innemen hiervan vaak niet lukt, kan ook gekozen worden voor de lang werkende vorm, Concerta. De meeste patiënten zijn door de behandeling in staat hun leven beter ter hand te nemen, stelt Kooij. Ze kunnen hun studie afronden, werk vinden en functioneren beter in relaties en gezin.

(Zorgkrant)

kodakDe diagnose ADHD is gebaseerd op observatie van het gedrag, uitslagen op psychologische tests en op gegevens over de vroege ontwikkeling van een kind. Maar nu heeft Eastman Kodak Company per toeval een mogelijk lichamelijke test ontdekt.

Men wilde nagaan of fotoafbeeldingen stress zouden kunnen verminderen bij patiënten met ADHD en stelde toen onder de conditie dat geen foto’s werden getoond vast dat ze met grillige temperatuursschommelingen te maken hebben. Door de toegenomen stress bij het niet tonen van foto’s vernauwden de bloedvaten en nam de temperatuur in de ledenmaten iets af. Dat gold in het onderzoek niet voor kinderen zonder ADHD in de controlegroep.

Kodak heeft nu haar patenten van de technologie overgedragen aan het McLean psychiatrisch ziekenhuis voor verder onderzoek.

(Kodak.com)

Kinderen met een aandachtstekortstoornis met overbeweeglijkheid (ADHD) kunnen baat hebben bij aanvullende ijzersuppletie.

Franse onderzoekers ontdekten dat bij kinderen met vastgestelde ADHD de ferritinespiegels tweemaal lager waren dan bij hun gezonde leeftijdsgenoten, terwijl bekend is dat er een verband is tussen ferritine en dopamine in de hersenen.

Orthomoleculaire artsen hebben wel vaker gezegd dat tekorten aan micronutriënten, zoals ijzer en ook vitamine A en jodium, tot gedragsveranderingen leidt.

(Archives of Pediatrics and Adolescent Medicine, december 2004)

Bij kinderen bij wie de diagnose ADHD gesteld is, zijn er problemen met het verwerken van informatie door de rechterhersenhelft.



Tot die conclusie zijn Manly en collega’s van een Brits medisch onderzoeksinstituut gekomen. Ze stellen nu dat kinderen met ADHD worden soms onterecht dyslectisch genoemd, omdat ze niet alle letters in een woord goed waarnemen. Hetzelfde geldt voor kinderen die onhandig worden genoemd vanwege dezelfde uitval, die kan blijken uit het tegen objecten aanlopen.

Manly en anderen screenden kinderen van een basisschool. Hun eerste inventarisatie liet zien dat 58 jongens volledig voldeden aan kenmerken van ADHD, 68 andere kinderen voldeden aan een deel van die kenmerken. Bij deze groep van 126 kinderen nam men specifieke tests af, zoals aandachtstests.

Hieruit kwam naar voren dat jongens die volledig voldeden aan ADHD-kenmerken onvoldoende aandacht gaven aan objecten in het linker visuele veld. Ze presteerden sowieso erg zwak op tests voor volgehouden aandacht, wat een kenmerk is die past bij ADHD.



Er was ook een groep kinderen met kenmerken van ADHD, die over een normale intelligentie beschikten, bij wie sprake was van een waar ‘neglect’ van het linker visuele veld. Dat ‘neglect’ was net zo sterk als de vergelijkbare conditie bij volwassenen bij wie schade aan de rechterhemisfeer is vastgesteld na een ongeval.

Volgens de onderzoekers heft stimulerende medicatie, zoals methylfenidaat (Ritalin), het beschreven probleem van de informatieverwerking op. Geopperd wordt dat trainingsmaatregelen die nu gebruikt worden bij volwassenen met hersenletsel in de vorm van rechterhemisfeerdisfunctie ook wel eens van waarde kunnen zijn voor kinderen met ADHD. Dat is een interessante conclusie, die nader onderzoek zeer zeker waard is.

(J Child Psychol Psychiatry 2005)

Sommige mensen zien, proeven, horen en voelen dingen die anderen niet ervaren. James Wannerton proeft woorden: “New York smaakt naar eieren en Londen naar aardappelpuree.” Carol Steen ziet iedere letter met een kleur: ‚de letter Z heeft de kleur van bier, licht geel.‚



Neuroloog Richard Cytowic onderzoekt deze wereld van de synesthesie in zijn boek “The man who tastes shapes”.

Synesthesie betekent “gekoppelde sensaties”, er is sprake van een afwijking in de hersenen waardoor verschillende zintuigen aan elkaar gekoppeld zijn. De meest voorkomende vorm is wanneer iemand letters in verschillende kleuren ziet in plaats van de normale kleur waarin ze geschreven zijn. Hoewel het per persoon verschilt in welke kleur zij de letters zien, blijven deze letter vaak gedurende het hele leven dezelfde kleur houden. Afhankelijk van het voedsel dat zij eten ervaren andere synestheten smaken als een vorm zoals een driehoek of een cirkel.



Onze zintuigen hebben allemaal een eigen plek in het brein waar de informatie verwerkt wordt. Zo wordt geluid ter hoogte van de oren in de temporaalkwab verwerkt en wordt visuele informatie achter op het hoofd in de occipitaalkwab verwerkt.

Neuroloog Dr. Vilyanur Ramachandran scande het brein van McAllister, een man die muziek ziet. Tijdens de scan blijkt dat de muziek niet alleen zijn temporaalkwab activeerde, maar ook zijn occipitaalkwab.“het visuele gebied in zijn brein lichtte op”, zegt Ramachandran,“dus kan je concluderen dat dit gebied geactiveerd wordt terwijl de man alleen naar muziek luistert.” McAllister beschrijft het als een “explosie van kleuren, felle flitsen van lavendel, hij ziet een roze trap en paarse violen. Het ziet er geweldig uit.” Het feit dat McAllister blind is, maakt het nog verrassender.



Hoewel wetenschappers kunnen bewijzen dat synesthesie bestaat weten zij nog steeds niet wat de oorzaak ervan is. Momenteel heerst de hypothese dat wij allemaal geboren worden met synesthesie. In de babyhersenen zijn alle zintuigen nog sterk met elkaar verbonden. Naarmate wij ouder worden zouden deze neurale verbindingen sterk uitdunnen. Dit proces wordt adoptose genoemd: zenuwcellen die onvoldoende gebruikt worden, sterven af om ruimte te maken voor nuttiger neurale verbindingen.



Dat synesthesie ook nadelen heeft blijkt wanneer synestheten vertellen “naar de verkeerde bus te rennen omdat de kleur van het lijnnummer niet klopt met hun eigen kleurcode” of moeite hebben met rekenen of wiskunde omdat de kleuren teveel afleiden.



Bron:

plebius press

psychologie magazine

In een publicatie in Pediatrics van 3 mei 2005 zijn de resultaten gerapporteerd van een grote studie die gedaan is naar de effecten van een specifiek vetzuursupplement op gedrags- en leerproblemen.



110 kinderen van verschillende basisscholen in het (Engelse) Durham district namen deel aan onderzoek, dat werd gefinancierd door het Durham School District en ‚The Dyslexia Research Trust.

De geselecteerde kinderen hadden coòrdinatiestoornissen (dyspraxie of DCD), vaak in combinatie met ADHD en/of dyslexie.

Conclusie is dat de gedragsproblemen na drie maanden gebruik aanmerkelijk verminderd waren door het gebruik van een specifiek visoliesupplement.



Bij aanvang van de Durham-studie zijn de kinderen psychologisch onderzocht. Er is onder andere met vragenlijsten gekeken naar de mate van hyperactiviteit, concentratievermogen, lezen en leren. De helft van de kinderen is gestart met een placebo (nepmiddel) de andere helft met een natuurlijk hoog-EPA visoliesupplement. Na drie maanden is de placebogroep ook gestart met het visoliesupplement. Na drie en zes maanden (einde studie) zijn alle kinderen weer onderzocht. Zowel de onderzoekers, de ouders als de leraren wisten in de eerste drie maanden niet welk kind het nepmiddel gebruikte en welk kind de visolie.

De Durham-studie toont gunstige resultaten met een specifiek visoliesupplement. Suppletie zou voor een deel van de kinderen extra hulp kan bieden bij het leren en concentreren.

Natuurlijke visolie bevat twee vetzuren, te weten omega-3 DHA en omega-3 EPA. Twee recente studies uit 2001 en 2004 tonen aan dat alleen DHA geen invloed heeft op ADHD.

(Pediatrics)

Mensen die in een goed verlichte omgeving werken, presteren beter, zijn productiever en raken minder snel afgeleid dan mensen in een donkere omgeving. Dat geldt vooral als ze bij een raam werken waardoor zonlicht naar binnen komt.



Tekort aan daglicht overdag kan de stemming negatief beïvloeden door verstoring van de bioritmes of de biologische klok. Deze klok regelt gedurende de totale dag diverse relevante lichaamsprocessen, waaronder slaap en de gemoedstoestand. Verstoring van dat ritme kan dus tot slapeloosheid en een depressieve stemming leiden. Er zijn overtuigende bewijzen dat daglicht mensen met verstoringen in het bioritme en seizoensgebonden depressies helpt. De verbetering van de concentratie zou een ander positief effect zijn van goed licht.

(Bron: Daylight and productivity — a possible link to circadian regulation)

Volgens Neuropsychiater M. Maes, die verbonden is aan de universiteit van Maastricht en de Vanderbilt University in Nashville is er een verband tussen voedingsgewoonten en “beschavingsziekten”, waaronder depressie, ADHD en chronische vermoeidheid (CVS) vallen.

Aan deze beschavingsziekten zou een verstoord evenwicht tussen de essentiële vetzuren omega-3 en omega-6 ten grondslag liggen, dat een reeks van stoornissen in het serotoninesysteem en het immuunsysteem op gang brengt. Hij pleit voor een nieuwe vorm van psychiatrie, waarin voeding een belangrijke rol speelt. Volgens hem gaat de psychiatrie in de toekomst daarom veel verder dan behandeling met antidepressiva en psychotherapie.

In 1996 publiceerde Maes een onderzoek waaruit naar voren kwam dat meer dan de helft van mensen met een depressie een tekort aan omega-3 vetzuren hebben.

(Cvsinfo.be)

Zwangere vrouwen die roken hebben meer kans een kindje met ADHD te krijgen.



Onderzoekers hebben gegevens over het rookgedrag van moeders van bijna 4000 Deense kinderen met dan wel zonder ADHD geanalyseerd. Uit de resultaten blijkt dat 59% van de moeders van kinderen met ADHD rookte tijdens haar zwangerschap. Bij de moeders van kinderen zonder ADHD ligt dit percentage op 35%.



Ook nadat er gecontroleerd is op eventuele andere risicofactoren, zoals een laag geboortegewicht, een te vroege geboorte of een bijkomende stoornis, blijkt roken tijdens de zwangerschap de kans op ADHD bij het kind te verhogen.



Volgens onderzoekster K. Markussen Linnet mogen er echter geen overhaaste conclusies getrokken worden. Zo was niet bekend of er bij de moeders al dan niet sprake was van ADHD. Vrouwen met ADHD zijn wellicht eerder geneigd te roken dan vrouwen zonder ADHD. De invloed van genetische aanleg zou in dit geval dan ook niet zonder meer mogen worden uitgesloten.

Toch toont dit onderzoek wederom het belang aan om als zwangere vrouw te stoppen met roken. Verder onderzoek zal moeten uitwijzen in welke mate roken tijdens de zwangerschap een risicofactor is voor ADHD en welke rol genen en omgevingsfactoren hierbij spelen. (Pediatrics, augustus 2005)

ADHD is instabiel

Onderzoekers bepleiten een bijna continu gebruik van checklists, gericht op de symptomen van aandachtsproblemen, impulsiviteit en overbeweeglijkheid. Dat is omdat zij vaststelden dat de symptomen van ADHD bij kinderen veranderen wanneer zij ouder worden.



Een onderzoeksteam stelde vast welke kenmerken van ADHD voorkwamen bij 118 (jonge) kinderen met die diagnose gedurende een periode van 8 jaar. Men constateerde dat 37% van de kinderen met ADHD die behoren tot het gecombineerde subtype (d.w.z. dat zij èn aandachtsproblemen èn hyperactiviteit/impulsiviteit tonen) en 50% van de kinderen met alleen kenmerken van aandachtsmoeilijkheden voldeden aan de criteria van een ander subtype uit het spectrum van ADHD.

Het team stelt nu voor om het subtype waarbij alleen impulsief en hyperactief gedrag gezien worden als mildere vorm van ADHD op te vatten. Dit schrijven zij in ‘Archives of General Psychiatry‘ (2005; 62: 896‚Äì902).

Wetenschappers die gedoken zijn in de onderliggende oorzaak van de stoornis van de aandacht en impulsbeheersing stellen vast: genen zijn allesbepalend.



Onderzoek onder families laat zien dat ADHD bij identieke tweelingen niet bij slechts één van de twee personen voorkomt. Verder is gebleken dat een kwart van de mensen die familielid zijn van mensen met ADHD zelf ook deze stoornis hebben. ADHD komt voor bij ongeveer 5% van de mensen.

Op dit moment hebben wetenschappers iets meer dan 30 genen gedetecteerd die de stoornis ADHD mogelijk veroorzaken. Daarmee zou afdoende zijn vastgesteld dat ADHD erfelijk is.

Ook voor de meeste andere stoornissen, zoals obsessief-compulsieve stoornis en Gilles de la Tourette, hebben een genetische component.



De zoektocht naar wat er met hersenen misgaat bij iemand met ADHD richt zich op de frontaalkwabben. Dit is het gebied dat ons helpt problemen op te lossen, vooruit te plannen en te organiseren. Specialisten in neuronen zoemen in op het dopaminesysteem, dat emoties, motivatie en het gevoel van plezier regelt.



Alles bij elkaar gekomen ziet het plaatje er als volgt uit: ADHD is een erfelijk bepaalde verstoring in het evenwicht van hersenstoffen met name dopamine en norepinephrine.

Deze verstoorde balans heeft een negatief gevolg voor de alertheid, comcentratie, beheersing van impulsen en de motivatie. Deze verstoorde balans kan ten dele worden opgeheven met behulp van medicatie.

Sceptici zeggen dat veel van de wetenschappelijke studies naar de achterliggende oorzaak van ADHD betaald zijn door de farmaceutische industrie.

(Biological Psychiatry)

Kinderen met ADHD hebben relatief meer dunnere corticale gebieden in hersendelen die belangrijk zijn voor de beheersing van aandacht. Dit is gebleken uit nieuw onderzoek waarbij de corticale dikte in hersendelen bij kinderen met ADHD is gemeten en vergeleken met de hersenen van kinderen zonder ADHD.



Voor dit langdurige onderzoek zijn 163 kinderen met ADHD (gemiddelde leeftijd van 8.9 jaar) en 166 deelnemers zonder ADHD (controlegroep) onderzocht. De hersenen werden bekeken aan de hand van de Magnetic Resonance Imaging (MRI) techniek. De patiënten met ADHD werden verdeeld in twee groepen. Een groep met de goede prognose en een groep met een slechte prognose.



Bij kinderen met ADHD was er sprake van dunne gebieden op de cortex bij bepaalde gebieden in de hersenen. Kinderen met een slechte prognose hadden een dunnere linker mediale prefrontale cortex dan de groep met een goede prognose en de controle groep. Er bleek geen verschil in ontwikkeling van de corticale dikte tussen de ADHD groep en de controlegroep. Het herstel van de corticale dikte vond alleen plaats bij de groep met de goede prognose.

(Archives of general psychiatry)

Mensen met ADHD zijn vaker betrokken bij ongelukken op de snelweg en bij kop-staart botsingen. Ook fouten, vergissingen en overtredingen komen vaker voor. Maar dat geldt niet voor alle mensen met ADHD. Op grond van een vragenlijst en neuropsychologische tests kan men aangeven welke mensen meer kans hebben op afwijkend rijgedrag.

(Journal of Clinical Psychiatry, april 2006)

Uit een nieuw onderzoek is gebleken dat er een verband is tussen kindermisbruik en schizofrenie. De onderzoekers Paul Hammersley en Dr. John Read hebben 40 onderzoeken van psychiatrische patiënten bekeken. Zij merkten op dat de meeste personen als kind of volwassene misbruikt waren. In een review van 13 onderzoeken van schizofrenen vonden ze dat het aantal gevallen van misbruik tussen de 51 procent en de 97 procent lag.



Schizofrenie is een stoornis van wisselende emoties, gedachteprocessen en realiteitspercepties. Het horen van stemmen is veelvoorkomend onder schizofreniepatiënten en worden ook geassocieerd met trauma’s uit de kindertijd. Andere symptomen van schizofrenie zijn hallucinaties, waanideeën, geheugenproblemen en problematisch intellectueel functioneren. De symptomen komen vaak tot uiting rond het twintigste jaar.



Al eerder is er een verband aangetoond tussen symptomen van posttraumatische stress stoornis en schizofrenie. Hammersley en Read maken hieruit op dat veel symptomen van schizofrenie veroorzaakt worden door trauma. Genen spelen nog steeds een rol bij schizofrenie, maar zijn dus niet de enige oorzaak van de ziekte.



Hammersley en Read vinden dat bij alle patiënten binnen de geestelijke gezondheidszorg nagegaan moet worden of ze als kind te maken hebben gehad met misbruik. Verder zijn hun ook van mening dat het uitdelen van antipsychotische medicijnen vermeden moet worden. In plaats daarvan moet psychologische therapie vaker aangeboden worden om deze individuen te helpen.

ReutersHealth

Al langer waren er aanwijzingen dat de dwangstoornis (of obsessief-compulsieve stoornis) bestond uit verschillende subtypen. Nu is ook het bewijs geleverd dat de hersenactiviteit van mensen met een bewaardwang (het onvermogen om waardeloze spullen, zoals oude kranten of kleding, weg te gooien met als gevolg dat de leefomgeving van deze mensen ernstig wordt beperkt) verschilt van die van mensen met andere vormen van de dwangstoornis, zoals de controleerdwang, de schoonmaakdwang en de ordeningsdwang. Dit is uit onderzoek met hersenscans gebleken. Eerder onderzoek wees al uit dat het mogelijk was dat de bewaardwang onderdeel was van een op zichzelf staande stoornis die gekenmerkt wordt door besluiteloosheid, perfectionisme, uitstelgedrag, moeite met het organiseren van taken en vermijding.

Ongeveer tien tot twintig procent van de mensen met een dwangstoornis heeft bewaardwang als belangrijkste klacht. Door meer te weten te komen over de neurobiologische grondslag van de verschillende typen binnen de dwangstoornis is het mogelijk om effectievere behandelingsmethoden te ontwikkelen, aldus de onderzoekers.

(Bron: American Journal of Psychiatry)

Er is een methode ontdekt waarmee duidelijk wordt welke kinderen of volwassenen die ADHD hebben goed reageren op de gangbare medicatie, methylfenidaat (merknaam: Ritalin). Met die methode kan dan het onterecht innemen van dit medicijn door kinderen worden voorkomen.

Dat blijkt uit een onderzoek door de universiteit van MŸnchen.

Methylfenidaat dankt haar werking aan toename van dopamine in de hersenen door het transportsysteem te remmen. Ongeveer 30% van de kinderen met ADHD reageert niet op dit medicijn. Daarom zochten onderzoekers naar een manier om te kunnen voorspellen wie wel en wie niet reageert.

Radioactief eiwit dat zich vasthecht aan het transportsysteem van dopamine is die voorspeller. De mate van hechting moet dan worden gemeten met SPECT (tomografie).

Men concludeert dit: “Onze resultaten geven aan dat het meten van transportsysteem van dopamine een belangrijke voorspeller is van de respons op methylfenidaat“.

(Society of Nuclear Medicine’s 51st Annual Meeting: Philadelphia; 19–23 juni 2004)

De effectiviteit van een eenmalige dagelijkse dosis Ritalin (methylfenidaat) bij kinderen met attention deficit/hyperactivity disorder (ADHD) blijft aanwezig over een periode van 12 maanden. Er zijn geen andere bijwerkingen gevonden dan bij kortdurend gebruik. Dat blijkt uit Amerikaans onderzoek.

(Journal of American Academy of Child & Adolescence Psychiatry)

Hoeveel kinderen en jongeren hebben ADHD? ‘2 op de 100′, zeggen Buitelaar (1994) en Van Eerden (1999). ADHD komt relatief veel voor: twee tot vijf procent van de kinderen tot een jaar of zestien. Op dit moment wordt de diagnose vaker bij jongens dan bij meisjes gesteld.

BR>CD (conduct disorder) is een agressieve gedragsstoornis die minder vaak voorkomt dan ADHD. Het kind met CD vertoont een aanhoudend patroon van bijzonder agressief gedrag, wat zich onder andere kan uiten in liegen, stelen, mishandelen, brandstichting, vernieling, veelvuldig spijbelen en weglopen.”> De ervaring van hulpverleners is dat ADHD en autisme veel vaker samen voorkomen bij kinderen dan op grond van toeval verwacht kan worden. Dit verschijnsel noemt met co-morbiditeit. Wellicht ligt er dus eenzelfde oorzakelijke factor aan ten grondslag.

Geen gekke gedachte. Onderzoekers hebben nu een gen ontdekt dat een sleutelrol speelt als het gaat om risico op ADHD. Ditzelfde genetisch gebied is in verband gebracht met de ontwikkelingsstoornis autisme, wat erop wijst dat de twee stoornissen misschien wel (voor een deel) dezelfde genetische wortels hebben.

De ontdekking is gebaseerd op de gegevens van 203 families waarvan minstens 2 kinderen ADHD hebben. Een specifiek gebied op chromosoom 16 draagt bij tot verhoogde gevoeligheid voor ADHD.

Het is belangrijk dat dit ontdekt is. Op de korte termijn hebben we er niet veel aan. Maar op de lange termijn helpt onderzoek naar de afwijkende vorm van genen hulpverleners om de biologische oorzaak beter te begrijpen. Dit draagt bij tot verbetering van de diagnose, behandeling en vroegtijdige interventie.

ADHD en autisme zijn twee totaal verschillende stoornissen, maar hebben blijkbaar veel meer gemeen dan ooit gedacht.

De stand van zaken op dit moment: de oorzaak van ADHD is 70 tot 80% genetisch en voor de rest bepaald door omgevingsfactoren. Voor autisme geldt vrijwel hetzelfde.

(American Journal of Human Genetics)

Uit een onderzoek van de Universiteit van Maryland blijkt dat ouders van kinderen met ADHD gecombineerd met andere gedragsstoornissen een 2 tot 5 keer grotere kans hebben op een psychisch probleem zoals drugsverslaving, angststoornis of depressie.

Sinds 1995 werden voor dit onderzoek 200 kinderen met ADHD en hun ouders gevolgd. Volgens onderzoeker Chronis zijn alle behandelingen minder effectief wanneer ouders zelf problemen hebben. Ze zouden dan minder goed in staat zijn een omgeving te creëren die effectief is voor het kind. Daarom is het bij de diagnostiek noodzakelijk om verder te kijken dan het kind alleen. Het behandelen van de problemen van de ouders kan invloed hebben op de behandeling van het kind.

Het onderzoek is gepubliceerd in het decembernummer van Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry. Voor meer informatie: www.aacap.org of www.jaacap.com



Voor kinderen bij wie de diagnose ADHD gesteld geldt dat er grote kans is dat een ouder last heeft van dezelfde stoornis van de aandacht, impulscontrole en planningsvaardigheid.

Uit een recent onderzoek van de Universiteit van Maryland blijkt namelijk dat de ouder een 24 maal zo grote kans heeft om ADHD te hebben dan gemiddeld. Als kleuters met ADHD daarnaast ook nog gedragsproblemen hebben wordt de kans op depressiviteit, angst en misbruik van middelen bij de ouder met factor vijf verhoogd.

Dat betekent dat de ouders (naast reguliere ouderbegeleiding) zelf ook een behandeling nodig hebben. We komen er niet omheen dat de ontwikkeling van een kind sterk samenhangt met de zaken die in het gezinssysteem spelen.

(Journal of the Am. Academy of Child and Adolescent Psychiatry, dec. 2003, 1424-1432)

Mensen die ADHD hebben, een stoornis van de aandacht die samengaat met overbeweeglijk en impulsief gedrag, zijn nog beter geholpen als ze de gangbare medicatie (methylfenidaat) combineren met zinksupplementen.

Die conclusie trekken de onderzoekens van de universiteit in Tehran in het aprilnummer van BMC Psychiatry.




Omdat zink nodig is voor de productie van melatonine, dat het gehalte aan dopamine in de hersenen reguleert, veronderstelden ze dat kinderen met ADHD kunnen profiteren van extra zink.

Ze schreven 55 mg zink per dag toe aan 22 kinderen met ADHD. Die werd gevraagd om gedurende zes maanden het supplement in te nemen. Een evengrote groep kinderen met ADHD kreeg een nepmiddel. Alle 44 kinderen kregen daarnaast ook het gangbare medicijn, methylfenidaat (bekend als Ritalin) voorgeschreven.

Om de twee weken werd het gedrag van de kinderen vastgesteld aan de hand van Connerslijsten, die door de leerkracht en ouders werden ingevuld. Bij beide groepen werd hiermee een gedragsverbetering gemeten.

Echter, bij de kinderen die zinksupplementen innamen werd een nog duidelijkere afname van de ADHD-kenmerken geconstateerd na de periode van zes weken.

De gemiddelde score op de checklists bij kinderen die Ritalin plus zink kregen was 23,5. Die van kinderen die alleen Ritalin kregen 17, wat minder gunstig is.

De twee groepen verschilde niet van elkaar wat betreft de bijwerkingen.

De onderzoekers veronderstellen nu dat zinksupplementen het positieve effect van medicatie bij ADHD verbeteren door de invloed op dopamine. En natuurlijk voegen ze daar aan toe: “verder onderzoek is nodig om te bepalen of verschillende hoeveelheden zink nodig zijn om deze bevindingen te zien bij kinderen met ADHD”.

(BMC Psychiatry)





Onderzoekers hebben aangetoond dat specifieke tekorten in bepaalde cognitieve functies ten grondslag liggen aan ADHD bij volwassenen. Dit brengt ondersteuning aan de theorie dat ADHD niet alleen bij kinderen bestaat, maar ook voor volwassenen een belemmering kan betekenen.



Aangenomen wordt dat 3 tot 5% van de kinderen ADHD heeft, waarvan de belangrijkste kenmerken zijn: rusteloosheid, onoplettendheid en impulsiviteit. Die kenmerken zouden nauwelijks verbleken en in de volwassenheid blijven bestaan. Toch wordt het stellen van de diagnose ADHD bij volwassenen gezien als controversieel.

Om die reden onderzocht een onderzoeksteam van de Universiteit in Cambridge cognitieve funcries bij 19 volwassenen die de diagnose ADHD te horen hadden gekregen. Ze werden in dit opzicht vergeleken met 19 anderen, die dezelfde sekse en leeftijd hadden en een vergelijkbaar verbaal-IQ. Voorafgaand aan het onderzoek had geen van de volwassenen medicatie tegen de kenmerken ingenomen.



De ADHD-groep bleek significant lager te presteren op tests die het geheugen voor ruimtelijke manipulaties, planningsvaardigheid en wisselen van de aandacht meten. Ook reageerden ze aanmerkelijk trager op de relatief simpele Go/No Go-taak.

De twee groepen verschilden niet van elkaar als het gaat om nemen van besluiten en kiezen van de juiste respons in herkenningstaken.

“Dit ondersteunt het beeld van tekort in de executieve functies”, zeggen de onderzoekers. Hieronder vallen de planningsvaardigheden en flexibiliteit.

Men wil in vervolgonderzoek bepalen of de effecten van methylfenidaat (merknaam: Ritalin) ook voor volwassenen gelden.

(Psychological Medicine, 2004; 34: 681‚692)



Kinderen waarvan de moeders tijdens de zwangerschap roken lopen een groter risico lopen ADHD te ontwikkelen. Dat komt uit een onderzoek van de Universiteit van Wales in Cardiff naar voren.

Bekend is dat genetische en omgevingsfactoren een rol spelen als het gaat over de ontwikkeling van ADHD. Roken is volgens de onderzoekers een bijkomende risicofactor.

(American Journal of Psychiatry, november 2003)

Wetenschappers hebben verschillen ontdekt in de hersenen van kinderen met Aandachts tekort stoornis met hyperactiviteit (ADHD) en normale hersenen.


De onderzoekers aan de universiteit van Los Angeles in Californië hebben ontdekt dat kinderen met ADHD hersenen hebben die afwijken van normale hersenen. Sommige gebieden in de hersenen waren kleiner terwijl andere delen meer grijze cellen bevatten. Andere onderzoeken toonden aan dat de hersenen van mensen met ADHD afwijkende structuren bevatte in gebieden die met de aandacht te maken hebben.

Het laatste onderzoek suggereert dat er ook andere structurele verschillen zijn in gebieden die de controle hebben over impulsief gedrag. De onderzoekers gebruikten de laatste scantechnologie gecombineerd met computer analyse om zo een gedetailleerd beeld te krijgen van de hersenen van mensen met ADHD.

ADHD is een serieuze gedragsstoornis die, volgens experts, bij zo’n 6% van de kinderen voorkomt. Mensen met ADHD hebben een slechte concentratieboog en hebben de neiging impulsief en rusteloos te zijn. Tot op heden zijn de onderliggende oorzaken nog steeds onbekend. De amerikaanse onderzoekers hebben scans uitgevoerd bij 27 ADHD kinderen en 46 zonder deze stoornis. De dorsal prefrontal cortex en de anterior temporal cortexen ‚Äì die zowel in de linker als rechter kant van de hersenen voorkomen ‚Äì waren zichtbaar kleiner. Daar staat tegen over dat de scans ook lieten zien dat de grijze cellen in de posterior temporal en inferior parietal cortexen van de kinderen aanzienlijk meer voorkwamen.

Dr Mark Berelowitz, een kinder- en adolescentenpsychiater verbonden aan de Royal London Hospital, zei dat er nog vele onderzoeken moeten volgen om deze bevindingen te bevestigen en dat het in dit stadium nog niks oplevert voor mensen met ADHD. (BBC News)

Er blijft ongerustheid bestaan over het gebruik van Ritalin, een middel dat wordt voorgeschreven aan kinderen met ADHD. Ritalingebruik voor jongere kinderen zou tot depressie kunnen leiden op latere leeftijd. Die uitspraak baseert men op onderzoeken bij ratten, waarover volgende week gepubliceerd wordt.

Gebruik van ritaline voordat de puberteit start zorgde namelijk voor blijvende veranderingen in de hersentjes van deze dieren. Dat zou ook kunnen gebeuren bij kinderen die het medicijn slikken om de kenmerken van ADHD te onderdrukken, oppert men.

Ratten die Ritaline kregen lieten op volwassen leeftijd een vorm van afhankelijke hulpeloosheid in hun gedrag zien. Verder was er sprake van een afwijkende activiteit in bekende omgevingen, dat gevolg kan zijn van veranderingen in de manier waarop de ratten aandacht geven aan omgevingskenmerken, zo stelt Carlezon (coòrdinator van het onderzoek).

De conclusie van het team: “Dit onderzoek onderstreept het belang van een beter begrip van de langerdurende neurobiologische effecten van blootstelling in de kinderleeftijd aan medicijnen die de psychisch functioneren beïnvloeden“.

Een verontrustende bevinding. Zeker is dat het gros van de kinderen met ADHD baat heeft bij dit medicijn, dat hun aandacht en alertheid verbetert en storend (impulsief) gedrag vermindert.

Het onderzoek maakt ook het belang duidelijk van op het kind afgestemde dosering. Wat voor het ene kind met ADHD een optimale dosering is, zou voor het andere kind een overdosering kunnen betekenen met verhoogde kans op bijverschijnselen, ook op de lange termijn. Routinematig een dosering voorschrijven lijkt ongunstig. De optimale dosering vinden via een dubbelblindproef (waarbij alleen de apotheker weet hoeveel Ritaline een kind krijgt) is verstandig.

(NIDA,dec. 2003, Biological Psychiatry en NIH)

De Amerikaans arts Bellanti deed onderzoek waaruit bleek dat kinderen met ADHD vaker voedselallergieën hebben dan kinderen die niet aan de stoornis van aandacht en concentratie lijden.

Hij heeft 17 kinderen met ADHD onderzocht. Van hen had 56% een positieve reactie op een voedingsallergie-test. Normaal gesproken is dat 6% tot 8%. Uit deze data concludeert hij dat consumptie van bepaalde voedingsmiddelen een rol kan spelen bij de ontwikkeling van ADHD. Jammer genoeg heeft Bellanti een zeer kleine groep onderzocht. Wat hij constateert is zeker opmerkelijk, maar hieruit kun je nog weinig conclusies met zekerheid trekken. Dit onderzoek zegt helemaal niets over oorzaak en gevolg.

Mogelijk wordt ADHD niet veroorzaakt door voedingsintolerantie (en spelen andere zaken een grotere rol), maar geeft allergie voor voedingsstoffen wel vergelijkbare gedragskenmerken (overbeweeglijkheid). Het kan zijn dat een aantal van de onderzochte kinderen onterecht als ADHD’er was gediagnostiseerd. Het probleem is dat ADHD niet of nauwelijks gemeten kan worden. De diagnose wordt gesteld door na te gaan of de kenmerken uit het classificatiesysteem de DSM-IV van toepassing zijn. Als je door andere oorzaken daarop positief scoort, kun je ‘onterecht’ het predicaat ADHD krijgen

(American College of Allergy, Asthma and Immunology)

Ongeveer 5% van de schoolgaande kinderen, pubers en volwassenen heeft ADHD. Bij 70% van de patiënten blijven overbeweeglijkheid, ondoordacht reageren en problemen met vasthouden van de concentratie het hele leven bestaan.

Onderzoekers van het McMaster Evidence Based Practice Center zijn nagegaan wat bekend is over de lange-termijn-behandeling van kinderen met ADHD. De onderzoeksgegevens zijn veelal onvoldoende, omdat de effecten van ritalin op de lange termijn slecht onderzocht zijn.

Uit 7 onderzoeken bleek dat het overbeweeglijke gedrag minder werd na behandeling met stimulerende medicatie (ritalin). Zes studies vonden een verbeterd sociaal functioneren met stimulantia. Wat betreft leerprestaties heeft gebruik van bij ADHD weinig aantoonbaar effect.

Er is maar één studie gedaan naar combinatietherapie en die laat zien dat behandeling met pillen en gedragstherapie beter werkt dan behandeling met pillen alleen.

Conclusie: er is behoefte aan systematisch onderzoek naar behandelmethoden van ADHD, waarbij aandacht moet worden geschonken aan o.m. de (representatieve) keus van de onderzoeksgroep.

(Canadian Journal of Psychiatry).

Slaperigheid en onoplettendheid kunnen het gevolg zijn van hardnekkige slaapproblemen bij kinderen, zo blijkt uit een nieuw onderzoek. Dat zijn precies dezelfde kenmerken die gezien worden bij kinderen met ADHD (aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit en impulsiviteit). Daardoor is het niet verwonderlijk dat sommige kinderen onterecht de diagnose ADHD krijgen, terwijl er een slaapprobleem speelt.

Het onderzoek omvatte ruim 3.000 vijfjarige kinderen, van wie de ouders vragenlijsten invulende over hun slaapgedrag en de aanwezigheid van aandachts- en gedragsproblemen. 19% van de ouders rapporteerde overbeweeglijk gedrag en 18% aandachtsproblematiek. Agressief gedrag werd iets minder vaak naar voren gebracht (12%).

Hieruit bleek dat kinderen met ademhalingsproblemen hadden als gevolg van slaapproblemen overdag vaak allerlei tekenen van slaperigheid lieten zien, waaronder ook problemen met opletten en doorwerken. Men berekende dat kinderen met slaapproblemen een tweemaal zo grote kans hebben om te voldoen aan de kenmerken van ADHD.

De onderzoekers vinden het belangrijk dat kinderen met overbeweeglijk gedrag en onoplettendheid ook worden gescreend op aanwezigheid van eventuele slaapproblematiek. Dat probleem zou dan al getackeld moeten worden, voordat de kinderen naar de basisschool gaan.

(Pediatrics, oktober 2003)

Een defect in het immuunsysteem zou volgens onderzoekers ten grondslag liggen aan ADHD (attention deficit hyperactivity disorder).



Bij kinderen met een genetisch defect wordt de werking van een chemische stof, interleukine, geremd, waardoor bij hen meer ADHD voorkomt. Interleukine speelt een rol in het immuunsysteem en zou ook belangrijk zijn voor de ontwikkeling van hersencellen na de geboorte.

De precieze oorzaken van de stoornis zijn onbekend. ADHD wordt waarschijnlijk veroorzaakt door een verstoord evenwicht in de aanmaak van bepaalde boodschappers in de hersenen, zoals catecholamine. Deze transmitters zijn belangrijk voor het goed functioneren van de hersenen. Interleukine zou de werking van die neurotransmitters kunnen beïnvloeden.

Als interleukine inderdaad aan de basis ligt van ADHD, dan zou dit op termijn kunnen leiden tot een hele nieuwe behandeling, zo menen de onderzoekers.

De huidige behandeling met medicijnen is lang niet altijd effectief, terwijl ADHD bekend staat als een ernstig probleem dat niet alleen slechte schoolprestaties geeft, maar ook het omgaan met leeftijdgenoten en ouders kan ontwrichten. Daarom wordt met man en macht gezocht naar nieuwe oplossingen.

(Bron: Molecular Psychiatry)

Er is een mogelijk alternatief voor het medicijn, ritalin. Sommigen maken zich ongerust over de mogelijke bijwerkingen, waarbij veel genoemd worden: slapeloosheid en verminderde trek in eten. Dat het lange termijn effect onduidelijk is baart sommige ouders zorgen.



Er is nu een verkennende studie gedaan naar de werking van een combinatie van twee kruiden: Ginkgo Biloba en Ginseng. Die combinatie zou kinderen met ADHD helpen de symptomen te verlichten.

In dit geval is een kleine groep kinderen onderzocht. 36 kinderen met ADHD in de leeftijd van 3 tot 17 jaar kregen vier weken een combinatie tweemaal per dag 50 mg Ginkgo biloba en 200 mg ginseng op een nuchtere maag. De positieve invloed van Ginkgo op de hersenfunctie is in uiteenlopende onderzoeken aangetoond, waarbij het wel gaat ginmg om ouderen.

De ouders van de onderzochte ADHD’ers gingen met vragenlijsten na hoe het gedrag van hun kind al dan niet veranderde.

Na vier weken was er pas een grote verbetering te zien. Bij 44% waren sociale problemen flink verminderd en bij de meerderheid (74%) was er minder overbeweeglijk gedrag. Bij twee van de 36 kinderen had de behandeling een nadelig effect.

Er wordt nu gedacht aan een vervolgonderzoek met grotere opzet.

Het gebruik van kruiden moet niet betekenen dat er geen beroep meer wordt gedaan op de hulpverlening en reguliere medicatie, als dat nodig is. Ritalin kan een wereld van verschil betekenen voor enorm veel kinderen en volwassenen die lijden onder de gevolgen van de stoornis ADHD



(J Psychiatry Neuroscience)

Hoewel er (nog) geen specifieke voedingsmaatregelen zijn voor hyperactieve kinderen, is hier een aantal adviezen die helpen om het overbeweeglijke gedrag zoveel mogelijk te verminderen.



Zorg er op de eerste plaats voor dat het kind geen cafeïne meer binnenkrijgt. Men denkt vaak dat suiker hyperactiviteit bij kinderen veroorzaakt, maar dat is nooit ondersteund door onderzoek. Maar suikerhoudende voeding, zoals frisdrank (cola) en toetjes met chocolade, kunnen overbeweeglijkheid veroorzaken door hun hoog gehalte aan cafeïne.



Probeer je kind minstens drie regelmatig geplande maaltijden per dag te laten eten en sla geen maaltijden over. Kinderen worden rusteloos als ze hongerig zijn en kunnen dan concentratie- of gedragsproblemen krijgen. Kinderen kunnen soms om de 2 á 3 uur tussendoortjes nodig hebben, omdat hun maaginhoud kleiner is en ze daardoor sneller dan volwassenen opnieuw honger krijgen. Bovendien ligt ook hun stofwisselingssnelheid hoger dan bij volwassenen.



Zorg ervoor dat het kind genoeg ijzer met de voeding binnenkrijgt. Een ijzertekort komt veel voor onder kinderen (en jonge vrouwen) en kan leiden tot een leerstoornis en aandachtsprobleem. Rijk aan ijzer zijn: rood vlees, gevogelte, eieren, bonen, gedroogd fruit. Is het kind geen grote vleeseter, kies dan voor voeding die rijk is aan vitamine C. Dat bevordert namelijk de opname van ijzer. Kies bijvoorbeeld voor een glas sinaasappelsap met wat granen in de ochtend.



Een ander idee is om het kind iedere dag een multivitamine-pil te geven waarin ijzer zit. Let erop dat je nooit meer dan 1 pil per dag geeft, om ijzer-vergiftiging te voorkomen.



Leren wordt ook verbeterd door een essentieel vetzuur aan de voeding toe te voegen: DHA oftewel docosahexaenoic acid. Je vindt DHA in vette vis (zalm, tonijn, makreel).

(Bronnen: Lisa Andrews, Sciences College of Allied Health Sciences University of Cincinnati, Cincinnati Post, PMID: 10479465)

ADHD (attention deficit hyperactivity disorder) wordt gezien als een stoornis van de impulscontrole, met als belangrijkste kenmerken: impulsiviteit, overbeweeglijkheid en aandachtsproblemen. Deze geven veel problemen op sociaal vlak en leergebied. Symptomen worden meestal verminderd met het stimulerend medicijn ritaline.

Nu blijkt dat een variatie in genen die in verband wordt gebracht met ADHD 10.000 tot 40.000 jaar geleden al voor het eerst voorkwam, en waarschijnlijk gunstig is geweest voor de eerste mens.
Ongeveer de helft van mensen met ADHD blijkt dit afwijkend gen te hebben.

De wetenschappers denken nu dat in een periode van de menselijke evolutie de karakteristieken van de ADHD, die nò ervaren worden als storend in de klas, zoals steeds op zoek gaan naar nieuwe uitdagingen, gunstig zijn geweest voor de vroege mens.

Die vroege mens met veranderd gen was waarschijnlijk succesvoller in de voortplanting, wat verklaart waarom het afwijkend gen nu nog zo vaak voorkomt.

De onderzoekers denken nu dat het zoeken naar alternatieve lesmethoden nuttiger is dan medicatie bij ADHD.

(Proceedings of the National Academy of Sciences)

Gedragsproblemen bij peuters op 2-3-jarige leeftijd zijn voorspellers van latere psychische problemen als de kinderen 10 á 11 jaar oud zijn. De vroege ontwikkeling van psychische problemen verloopt anders voor jongens dan voor meisjes. Leraren blijken beter in staat depressieve klachten bij 10 á 11-jarigen vroegtijdig te herkennen dan ouders. Dit blijkt uit onderzoek van de psycholoog Mesman (Erasmus Universiteit).


Uit het onderzoek blijkt dat emotionele problemen (angst, depressie) en gedragsproblemen (agressie, hyperactiviteit) op 2 á 3-jarige leeftijd hetzelfde type problemen op 10 á 11-jarige leeftijd voorspellen. Frequent oppositioneel gedrag (koppig, driftbuien) in de peutertijd blijkt een belangrijke voorspeller van zowel emotionele als gedragsproblemen acht jaar later.


Het lijkt er dus op dat gedrag dat we normaal vinden voor peuters voorspellend is voor latere problemen, als het in de peutertijd al extreem is.

Angst in de peutertijd bleek daarentegen beschermend te werken tegen latere agressie en delinquentie.

Verstoringen in het gezinsleven en de opvoeding van een peuter speelden een aanzienlijk minder grote rol in de voorspelling van latere psychische problemen dan vroege verstoringen in het gedrag en de gezondheid van het kind zelf.


Tenslotte blijkt dat leraren veel meer vroege signalen van depressie bij 10- en 11-jarigen konden waarnemen dan ouders. Sociale problemen, schoolproblemen en depressief gedrag op de kleuterleeftijd zoals waargenomen door leraren bleken belangrijke voorspellers van depressie op 11-jarige leeftijd zoals waargenomen door het kind zelf. Dit onderzoek wijst op het belang van kindfactoren, zoals het vroege gedrag en de lichamelijke gezondheid, voor de latere ontwikkeling van psychische problemen en het belang van leraren als informant over de ontwikkeling van psychische problemen bij het kind.