Sommige kinderen hebben een risicogen dat kan zorgen voor een dopaminetekort. Als zijn daarnaast ook opgroeien bij ouders die hen op een manipulatieve manier controleren en chanteren, zijn zij eerder geneigd om hun problemen weg te eten en emotionele eters te worden.

Die conclusies trekt Tatjana van Strien van de Radboud Universiteit Nijmegen uit haar onderzoek onder 279 jongeren. Een op de drie jongeren blijkt het risicogen te hebben, dat kan zorgen voor een tekort aan dopamine, een stofje dat een gevoel van welzijn geeft. Daarnaast geeft 12 procent aan dat manipulatieve controle door een of beide ouders vaak of zeer vaak voorkomt. Als dat samengaat met een dopaminetekort, hebben die jongeren een groot risico om emotioneel te gaan eten. De jongeren gaan fysiologische reacties bij emoties met gevoelens van honger verwarren. Dat maakt hen ‘gevoelsblind’, aldus de onderzoeker.

Bron: Radboud Universiteit Nijmegen

In een experimentele testsituatie is het lastig het verschil in afleidbaarheid vast te stellen tussen iemand met ADHD en een gemiddeld persoon. Dit stelt Rosa van Mourik op basis van haar onderzoek. Zij promoveert op 16 februari aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

Mensen met ADHD zijn vaak impulsief, beweeglijk en snel afgeleid. In de afleidingsexperimenten van Van Mourik reageerden de hersenen van kinderen met ADHD iets anders dan die van andere kinderen, maar ze presteerden niet slechter. Van Mourik pleit er nu voor om naast in onderzoeksituatie ook in het dagelijks leven te testen hoe makkelijk de kinderen zich laten afleiden. Er zijn overigens wel tests voor volgehouden aandacht bij saaie monotone, waarop kinderen met ADHD wel veel lagere scores behalen dan de meeste andere kinderen.

Moeders die tijdens de periode van zwangerschap grote hoeveelheden drop consumeren, geven hun kindje grote kans op het ontwikkelen van gedragsproblemen, waaronder ADHD, en een lager IQ. Dat blijkt uit recent Fins onderzoek, waarbij 321 achtjarige kinderen waren betrokken.

Van deze groep achtjarige kinderen was bekend hoeveel drop hun moeders tijdens zwangerschap hadden gesnoept. De kinderen werden psychologisch onderzocht waarbij diverse cognitieve functies werden gemeten, waaronder woordenschat, geheugen en ruimtelijk inzicht. Gedrag werd via de ouders vastgesteld door middel van een standaard vragenlijst.
Uit de data blijkt dat vrouwen die meer dan 500 mg glycyrrhizinezuur binnenkregen, verhoogde kans hadden op een kind met lager IQ dat gedragsproblemen vertoont. 500 mg glycyrrhizinezuur komt overeen met 100 gram dropjes.
Men veronderstelt dat een bestanddeel van drop, dat ook in zoethout voorkomt, de functie van de placenta belemmert. Daardoor kunnen stresshormonen van moeder op baby worden doorgegeven en die hebben dan rechtstreekse negatieve invloed op de hersenontwikkeling van het kindje.
Het advies van de Finnen is dan ook dat vrouwen die in verwachting zijn beter geen of weinig drop innemen.
Het onderzoek sluit aan bij een andere studie die laat zien dat het eten van drop samengaat met een korter durende zwangerschap.

(American Journal of Epidemiology en Universiteit van Edinburgh)

Niet alleen mensen, maar ook honden kunnen hinder ondervinden van wat obsessieve-compulsieve stoornis (OCD) genoemd wordt. Daarbij gaat het vooral om de obsessieve drang om bepaalde handelingen uit te voeren. Wetenschappers hebben dankzij deze dieren het gen vastgesteld dat de schuldige daarvan is.

Vooral Dobermans en terriers blijken gevoelig voor het ontwikkelen van de stoornis. Bij hen wordt gezien dat ze de eigen staart achterna jagen of ingebeelde vliegen proberen te vangen op een manier die obsessief aandoet. De ontdekking van welk gen verantwoordelijk is, betekent dat steeds dichterbij komt dat ook bij de mens dit specifieke DNA kan worden gelokaliseerd. Daarna wordt het gemakkelijker mogelijk om de kenmerken sterk te laten verminderen.

ocdOngeveer 2% van mensen heeft last van de stoornis, die veel hinder geeft vanwege de rituelen die veel tijd in beslag kunnen nemen. Overigens krijgt niet elke hond met het specifieke DNA-patroon last van de stoornis, maar de kans is wel flink verhoogd. Blijkbaar geldt dat voor mensen net zo.
Het mooie is dat nu ook duidelijk is dat behandeling met een middel als Prozac bij honden werkzaam is. Dat betekent dat er waarschijnlijk veel overeenkomst is in de achterliggende oorzaak.
Een compulsieve stoornis komt in sommige families duidelijk meer voor. Heeft je broer, zus, moeder of vader er last van? Dan heb je een 4 tot 6 keer verhoogde kans dan de gemiddelde Nederlander. Ook voor de bipolaire stoornis en autisme geldt net als voor OCD dat de wetenschap bezig is met het ontdekken welke genen nu precies aan de basis ervan staan. Dat inzicht geeft veel duidelijkheid, ook over de behandelmogelijkheden.

(Nature Molecular Psychiatry, januari 2010)

Uit nieuwe data blijkt dat jongeren tussen de 12 en de 18 jaar die lijnen niet meer afvallen dan hun leeftijdsgenoten die niet aan de lijn doen. Dat blijkt uit het proefschrift van Harriëtte Snoek die in januari 2010 promoveert aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Zij denkt dat lijnende jongeren geen gewicht verliezen, doordat ze in de periodes dat ze lijnen ook vreetbuiten hebben.

Een belangrijk gegeven is dat ouders invloed hebben op het eetgedrag van hun kinderen en op de tevredenheid met hun figuur. Kinderen zijn vaker ontevreden met zichzelf als hun ouders kritisch zijn. Gebrek aan zelfrespect en eigenwaarde kan leiden tot eetproblemen.
Beter dan ‘lijnen’ kunnen jongeren kiezen voor een blijvend gezonde levensstijl die het consumeren van teveel aan suikers, snel verteerbare koolhydraten en overvette happen voorkomt.

(Radboud Universiteit)