twitter


Boek psychologisch onderzoek

boek psychologisch onderzoek

Advertentie

Superfoods

Kun jij mensen nu echt helpen? Het is een vraag die ik nog wel eens krijg als ik vertel dat ik psycholoog ben. Als psycholoog heb je toch een wat twijfelachtige reputatie. Sommige mensen geloven heilig in je en andere denken dat je een soort kwakzalver bent die niet veel verschilt van een waarzegger of een kruidenvrouwtje.

In zijn boek “Psychotherapie, een wetenschappelijk perspectief” geeft professor Pim Cuijpers een overzicht van de huidige stand van zaken binnen de psychotherapie. Hij heeft al het onderzoek op een rij gezet en vertelt ons exact wat wel werkt en wat niet werkt. Tenminste, voor zover hij dat zelf weet.

Wat is psychotherapie?
psychotherapieVoordat we de vraag kunnen stellen of psychotherapie werkt, moeten we eerst helder hebben wat het precies is. Het komt er op neer dat we onder psychotherapie alle interventies verstaan die niet onder medicijngebruik vallen. Als je dat als definitie stelt, hou je nog flink wat behandelmethoden over.
Zo heb je bijvoorbeeld gesprekstherapie. Het typische tweegesprek tussen psycholoog en cliënt. Daarin heb je dan weer verschillende stromingen, zoals de cliëntgerichte, de cognitief therapeutische en de psychodynamische. Maar buiten het tweegesprek heb je ook groepstrainingen, behandelingen waarbij het lichaam meer centraal staat en meer “opvallende” behandelvormen. Tot die laatste groep behoort bijvoorbeeld de EMDR, een behandelmethode waarbij de therapeut met zijn vingers voor de ogen van de cliënt zwaait. Klinkt gek, maar werkt uitstekend in de behandeling van angststoornissen.

Wat werkt?
Het is nog een hele klus om uit te zoeken welke therapie goed werkt.

Je zou mensen gewoon een therapie kunnen geven om hun achteraf te vragen hoe het gaat, maar dat levert een hoop problemen op:
• Hoe weet je dat het probleem niet als vanzelf beter is geworden?
• Wie zegt dat het niet gewoon een goede psycholoog was in plaats van een goede behandelmethode?
• Zou het kunnen zijn dat iedereen anders op verschillende therapieën reageert?

Enzovoort, enzoverder.

Om die vragen goed te kunnen pareren wordt er binnen de psychologie gewerkt met “randomised control trials”. Dat zijn sterk gecontroleerde experimenten waarbij er behandelingen gegeven worden die zoveel mogelijk hetzelfde zijn en waarbij en “controlegroepen” zijn die geen behandelmethode krijgen.

Cuijpers doet dan nog aan “meta-analyses” waarbij verschillende trials met elkaar vergeleken worden. Als een onderzoeker uit Canada een onderzoek naar cognitieve therapie bij depressie heeft gedaan en een onderzoeker uit Utrecht ook, vat Cuijpers die twee onderzoeken samen tot één uitkomst. Alleen gebruikt hij niet twee onderzoeken maar in principe alle onderzoeken die ooit zijn gedaan.

Wat werkt?
Wat komt er nu uit al die meta-analyses? De volgende punten vond ik interessant om te lezen:

• Als je mensen met een depressie niet behandelt, knapt 40% vanzelf weer op. Als je mensen met een depressie wel behandelt, knapt 66% op. Het verschil tussen niet en wel behandelen is dus maar 26%.
• Er zijn verschillende problemen waarvoor een behandelmethode bestaat die goed werkt en goed onderzocht is (depressie, angst, stress). Er is echter geen enkele therapie die altijd en voor iedereen werkt.
• In veel gevallen werkt zelfhulp bijna net zo goed als therapie. Met zelfhulp kan dan een digitale training bedoeld worden en zelfs het lezen van een boek.
• We weten eigenlijk nauwelijks waarom psychotherapie werkt. Het is heel moeilijk om met onderzoek helder te krijgen welk onderdeel van een gesprek werkt, dus dat kunnen we dan ook niet.
• Er zijn bovendien nauwelijks verschillen tussen verschillende behandelmethoden. Het is niet duidelijk dat de schemagerichte therapie beter werkt dan de cognitieve therapie bijvoorbeeld.

Wat betekent dit nu in de praktijk?
Allereerst: ik kan echt mensen helpen, maar of het bij jou aanslaat kan ik niet garanderen.
Daarnaast is het belangrijk om hulp te zoeken. De kans dat je dan over je probleem heen kunt, is groter dan wanneer je het niet doet.
Wat ons betreft is het bovendien verstandig om hulp te zoeken bij een psycholoog die werkt met wetenschappelijk getoetste methoden. De werkzaamheid van een therapie is al klein, dus dan is het verstandig om in ieder geval te werken met een behandeling waarvan de werkzaamheid is aangetoond.

Tot slot is het verstandig om te blijven proberen, maar niet te lang. Als de ene therapie niet werkt, zou de andere best wel kunnen helpen. Blijf dan echter niet te lang hangen bij een therapeut. Als je binnen zes gesprekken geen vooruitgang merkt, wordt het tijd om weer eens door te kijken. Het probleem hoeft niet over te zijn bij zes gesprekken, maar er moet wel een positieve verandering merkbaar zijn.

Robert Haringsma is coach en psycholoog bij het Instituut voor Positieve Psychologie

Een van de grote revoluties in de hedendaagse psychologie is de opkomst van de zogenaamde derde generatie gedragstherapie. Hiermee wordt mindfulness bedoeld, de Acceptance and Commitment Therapy (ACT) en andere therapiemethoden die gebruik maken van meditatie-technieken.
In de behandeling van angststoornissen worden de voordelen van deze therapiemethoden goed duidelijk. In dit blogje bespreek ik hoe dit werkt.

Zoals gezegd zijn we inmiddels bij de derde generatie gedragstherapie aanbeland. Voordat ik daar verder op inga, bespreek ik eerst hoe de eerste en de tweede generatie gedragstherapie toegepast werden in de behandeling van angst.

Eerste generatie:
De eerste generatie gedragstherapie komt voort uit de experimenten rondom conditionering, zoals die van Pavlov. Het komt er op neer dat mensen bepaalde patronen door gewenning aanleren en die op dezelfde manier ook weer kunnen afleren.
Als iemand bang is voor spinnen, heeft hij die emotionele reactie waarschijnlijk aangeleerd. Bijvoorbeeld door te zien hoe bang zijn ouders zijn voor spinnen of door een enge film over spinnen te zien. In de behandeling wordt dan met behulp van gedragsexperimenten nieuwe reacties aangeleerd. In het kort komt het er op neer dat de cliënt leert dat je niet bang hoeft te zijn, door heel vaak in contact te komen met spinnen zonder dat er iets ergs gebeurt.

Tweede generatie:
In de tweede generatie gedragstherapie kwam er meer aandacht voor de cognities van mensen. Iemand die bang is voor een spin, kan bijvoorbeeld de overtuiging hebben dat spinnen gevaarlijk zijn. Als die overtuiging niet wordt weerlegd, zullen de gedragsexperimenten minder effect hebben. Daarom werkt de tweede generatie met gedragsexperimenten en met cognitieve herstructurering oftewel het in kaart brengen en veranderen van de overtuigingen.

Waarom deze therapieën soms niet helpen
Laat ik om te beginnen duidelijk stellen: de hiervoor beschreven therapieën werken vaak uitstekend in de behandeling van angstklachten. Vooral in het geval van bovenstaande enkelvoudige fobieën, zoals de bovengenoemde angst voor spinnen, werkt het in de meeste gevallen voldoende om de ergste klachten weg te halen.
In sommige gevallen werken de eerste en tweede generatie therapieën echter niet goed. Sterker nog, in sommige gevallen verergeren de klachten door toepassing van deze therapieën. Dat speelt vooral in de behandeling van gegeneraliseerde angststoornissen.
Mensen met een gegeneraliseerde angststoornis zijn vaak langdurig gespannen. Ze hebben de hele dag een vaag gevoel van alertheid zonder dat hier een duidelijke oorzaak voor is. Vaak wordt die spanning veroorzaakt door piekeren over de angst zelf of piekeren over mogelijke gevaren.
Als we deze mensen behandelen met cognitieve therapie, gaan ze vaak nog meer nadenken. De behandelmethode (nadenken over je klachten) versterkt dan de klachten (piekeren over je klachten). De therapie helpt je dan van de regen in de drup.

Wat de derde generatie toevoegt
Met behulp van meditatie-technieken leert de derde generatie gedragstherapie je om je piekergedachten te “negeren”. De term negeren doet niet echt recht aan de complexe manier waarop er met gedachten omgegaan wordt binnen meditatie, maar het is een lekenterm die betrekkelijk dicht in de buurt komt van wat er bedoeld wordt.

Het idee is dat gedachten maar gedachten zijn en dat je er niet per se iets mee hoeft te doen. Daarnaast wordt geleerd dat je kunt handelen ondanks je angstige gedachten. Handelen en denken hoeven dus niet steeds met elkaar samen te vallen. Dat schept de mogelijkheid voor angstige mensen om zich te gedragen of ze niet gespannen zijn, op momenten dat ze dat wel degelijk zijn.

presentatieEen voorbeeld: mensen die gespannen zijn om te spreken in het openbaar en daar hulp bij zoeken, zeggen vaak dat ze van hun angst af willen. In de derde generatie gedragstherapie zal een therapeut opmerken dat de afwezigheid van de angst niet het doel is, maar het houden van een goede presentatie. Vervolgens wordt hen aangeleerd dat je prima kunt presenteren met een flinke dosis spanning in je lijf en dat deze spanning dus niet per se verbannen hoeft te worden.

Wil je meer lezen over dit onderwerp? Dit (Engelstalige) boek is een goede inleiding: “The Mindfulness and Acceptance Workbook for Anxiety”

Robert Haringsma is coach en psycholoog bij het Instituut voor Positieve Psychologie

De wekker gaat en ik voel het meteen. Het wordt weer zo’n dag. Zo eentje waarin alles verkeerd gaat. Ken je dat? Ik zit met een chagrijnig hoofd aan het ontbijt en probeer mezelf een beetje op te vrolijken door een komisch stukje in de krant te lezen. Terwijl ik zonder te proeven de cornflakes mechanisch naar binnen werk, vraag ik me af wat ik eigenlijk het beste met dit rotgevoel kan doen. Moet ik het wegstoppen en negeren? Moet ik ertegen gaan vechten en mezelf een schop onder de kont geven? Moet ik het er juist laten zijn en me maar extra rot gaan voelen? Moet ik er überhaupt wel iets mee doen? Wat doen we eigenlijk met onze negatieve gevoelens?

Het is heel normaal om een negatief gevoel te laten verdwijnen door jezelf af te leiden of door iets te doen wat je in een betere stemming brengt. Het is vaak effectief om jezelf op deze manier het zetje te geven dat je op dat moment nodig hebt. In andere situaties kan het echter minder goed werken. Op de korte termijn werkt het wel, maar het gevoel blijft op de achtergrond knagen en zorgt ervoor dat je er steeds weer op terug komt. In dit geval is negeren een minder goed idee. Je kunt de oorzaak proberen aan te pakken of, als de oorzaak niet duidelijk is, het gevoel er maar gewoon laten zijn. Dit betekent dat je er voor gaat zitten om je even rot te voelen.

Het klinkt wellicht raar, want hoe lang moet je je dan bijvoorbeeld slecht gaan voelen? Misschien is het niet een kwestie van tijd, maar gaat het erom dat je kan zeggen: Het is oké dat ik me nu slecht voel. Je kunt je lijden verminderen door niet meer te vechten tegen de dingen waar je niets aan kunt doen. Hiernaast kan het ook fijn zijn om, hoewel het een rot gevoel is, hier midden in te gaan zitten. Om aandacht te geven aan datgene wat er speelt.

Het is natuurlijk ook belangrijk om hier niet voor eeuwig in te blijven hangen. Juist je concentreren op de dingen die goed gaan en positief zijn, kan je erg helpen om met een vervelende situatie om te gaan. Soms heb je gewoon even een zetje nodig om uit de funk te komen.

Ik kijk naar beneden en zie de bodem van de kom. Oh, mijn ontbijt is alweer op. Ik besef me dat ik vandaag veel verschillende soorten strategieën kan toepassen om de dag door te komen. Het is ook niet zo simpel dat één strategie altijd werkt. Het hangt af van de persoon, de situatie, et cetera. Er zijn in ieder geval genoeg mogelijkheden, een gedachte die me toch wat gerust stelt. Wellicht dat ik vandaag eens iets anders kan proberen dan dat ik normaal gesproken doe. In een wilde opwelling spring ik op, sprint ik naar buiten met mijn pyjama nog aan en ren ik een rondje om het huis. Hijgend sta ik weer bij de voordeur en grijp ik in mijn zakken naar de sleutel… Oh ja, die ligt nog op mijn bureau… Inderdaad, het is weer zo’n dag.

(Dea Boom, online psycholoog van Psychologenpraktijk Boom)

Uit onderzoek is gebleken dat omgevingsfactoren even belangrijk zijn als genen in het hebben van autisme. De bevindingen van het onderzoek zijn gepubliceerd in the Journal of the American Medical Association (JAMA). Er wordt vermeld dat genen maar de helft bijdragen aan autisme, en dat de andere helft wordt verklaard door omgevingsfactoren zoals sociaal-economische status.

Het onderzoek werd gedaan onder twee miljoen Zweedse kinderen, waarvan er 14.516 gediagnosticeerd waren met autisme. Familieleden, zoals halfbroertjes en –zusjes en neven en nichten, werden onderzocht. Het bleek dat hoe sterker een kind genetisch gerelateerd is aan een familielid met autisme, hoe groter de kans is voor het kind om autisme te ontwikkelen. Een kind met een broer of zus met autisme heeft bijvoorbeeld tien keer zoveel kans op autisme en een kind met een neefje of nichtje heeft twee keer zoveel kans om autisme te ontwikkelen.

De resultaten van het onderzoek zorgen voor correcte informatie over autisme en de risico’s hierop, aldus Sven Sandin, die heeft meegewerkt aan het onderzoek in Londen en in Zweden. Volgens Sandin kan deze informatie een ondersteuning zijn voor ouders en clinici in het maken van goede keuzes.

De resultaten van dit onderzoek zijn te vergelijken met de resultaten van een onderzoek van de Universiteit van Stanford in Californië, waarin tweelingen werden onderzocht op de genetische en omgevingsinvloeden van autisme. Ook uit dit onderzoek bleek dat omgeving een grote rol speelt bij autisme.

Bron: Kate Kelland, Reuters

Tanya Byron kleurIn het boek ‘Niets is wat het lijkt’ heeft klinisch psychologe Tanya Byron de aangrijpende verhalen van patiënten opgeschreven met wie zij tijdens haar studietijd in psychologische klinieken heeft gewerkt.
Het gaat om bijzondere mensen die op hun eigen manier worstelen met de uitdagingen in het leven. Ze laten je niet los. Je wilt in alle gevallen weten hoe het afloopt, en dan blijkt al gauw dat niets is wat het lijkt.

Bijna 25 jaar werkt Tanya nu in de geestelijke gezondheidszorg. Tijdens haar opleiding leerde ze buitengewone patiënten kennen, zoals: kinderen met eetstoornissen, mensen die te maken kregen met dementie, slachtoffers van seksueel misbruik en psychopaten.
Dankzij de mooie schrijfstijl van auteur Tanya kruip je als lezer even in de huid van de psycholoog. Elk verhaal is bijzonder en verrassend.
“Er is geen duidelijke lijn tussen gekte en gezondheid”, zegt Tanya, “wij allemaal komen wel eens in het grijze gebied”. Zij vindt dat ze veel geleerd heeft van de mensen die ze in haar boek beschrijft. Via therapie krijgen mensen met problemen soms de helderheid waarnaar ze op zoek zijn. Ze maken samen met de therapeut de reis van chaos naar helderheid.

(Uitgeverij Unieboek/Het Spectrum)


Spirulina & Chlorella

Page 1 of 26412345»102030...Last »